Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de doelgedachte hare berechtiging behoudt, maar dan ook de formule „Soli Deo Gloria" een geheel andere strekking voor ons erlangt. Dat de doelgedachte hare berechtiging behoudt, daaraan twijfelde niemand minder dan Gewin zelf, die immers zelf de doelvraag opzettelijk stelde en er naar streefde een zinvolle beantwoording te geven. Deze beantwoording was echter geen beantwoording. Dit wordt verklaard door het tweede punt, waarop we, bij wijze van mogelijkheid, wezen, n.I. dat het „Soli Deo Gloria" niet is een constitutief beginsel der doelgedachte. Naar onze meening kan deze formule alleen dienst doen als „regulatieve idee".

Het Soli Deo Gloria ontslaat ons niet van onze gebondenheid aan de sociale werkelijkheid. Integendeel, we hebben daarvan en alleen daarvan te maken, wat we kunnen. Maar daarmede is gezegd^ dat de na te streven doeleinden altijd moeten zijn concrete mogelijkheden van de huidige sociale constellatie. Zoo bezien is de formule niet een beginsel, dat een concreten inhoud meebrengt, een ordening of norm, die ons uitsluitsel geeft over hetgeen we hebben te doen, maar een richtlijn der gedachten, o. a. voor den wetgever bij de keuze van begeerenswaardige sociale mogelijkheden, d. i. bij de vaststelling en legitimeering der na te streven doeleinden.

Er is meer. De verheerlijking Gods openbaarde zich volgens Gewin in de handhaving van zijn eeuwige rechtsorde. Maar wat hebben wij daaronder te verstaan? Onder eeuwige rechtsorde mogen we toch eigenlijk niets anders verstaan dan wat men het absolute, transcendente, eeuwige of metaphysieke recht pleegt te noemen. Dat echter de Staat, althans de moderne staat, niet geroepen kan zijn, om dat eeuwig recht te handhaven, is toch waarlijk niet twijfelachtig. Vooreerst al niet, omdat niemand zal kunnen beweren, dat eeuwig recht te kennen, wat toch een eerste voorwaarde is voor zijn handhaving, herstel, bescherming. Trouwens, en daarom, we kunnen dat niet kennen, want het overschrijdt de grenzen van het menschelijk weten. Dit klemt te meer, als men bedenkt, dat dit metaphysieke of eeuwige recht — dit weten we a priori — aan ieder mensch, aan ieder volk zijn eigen taak en bestemming ' aanwijst en niet als een natuurrecht den eenen mensch en den anderen mensch, het eene volk en het andere volk beschouwt als op elkaar gelijkend, zooals het eene ei op het andere. De „Vertypung", zoo karakteristiek en onvermijdelijk voor elk menschelijk recht, is aan het eeuwige recht juist met zijn volstrekte individualiseering (wegens de "eigen-waarde van iederen mensch) ten eenenmale vreemd.

Alles bijeen genomen lijkt het ons juister om met Thomas van

Sluiten