Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soortigen eendaadschen samenloop, bepaalt de strafwet in art. 55 lid 1: Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één dier bepalingen toegepast, bij verschil, die, waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Voor de beoordeeling van wat als de zwaarste hoofdstraf is aan te merken, geldt volgens art. 61 Sr., dat de betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum, die van ongelijksoortige door de volgorde in art. 9 Sr. genoemd.

Zooals gezegd, hebben we hier te doen met den echten concursus idealis: een en dezelfde handeling (de wet spreekt van „feit") van een en denzelfden dader beantwoordt aan verschillende wettelijke omschrijvingen en valt onder meer dan één strafbepaling. Dat inderdaad hier ondersteld, ofschoon niet gezegd1) is, dat we te doen hebben met verwerkelijkingen van verschillende rechtsfeiten is duidelijk. Want als een feit meermalen „hetzelfde" rechtsfeit verwerkelijkt, dan is, als de schuldgraad dezelfde is, niet mogelijk, dat het onder meer dan een strafbepaling zou vallen2).

5. We hebben gezien, dat we onder ongelijksoortigen eendaadschen samenloop te verstaan hebben het geval, dat een handeling aan verschillende wettelijke omschrijvingen beantwoordt en op verschillende strafbedreigingen past, rechtskundig verschillende beteekenis heeft en wel zöó, dat ze verschillende delicten vormen (b.v. verkrachting op den openbaren weg art. 242 j° 239 Sr., het opzettelijk werpen van een granaat in een gang tegelijk met het daardoor doleus veroorzaken van iemands dood art. 350 j° 287 Sr.), zonder dat de eene strafbepaling door de andere wordt ter zijde gesteld. Er ontstaat dus metterdaad een concursus.

Hoe nu in deze te handelen, hoe lost de wet dit conflict op? Zullen we den dader straffen én voor verkrachting én voor openbare schennis der eerbaarheid, voor zaakbeschadiging én voor doodslag?

1) De M. v. T. spreekt hier van concursus idealis — zie S m i d t, t. a. p., dl. I, blz. 477 — en onderscheidt bij dezen concursus idealis den eigenlijke en den oneigenlijke. Bij de beraadslagingen in de le Kamer noemde de Minister onder den concursus idealis ook het geval, dat een en hetzelfde feit meermalen dezelfde strafbepaling overtrad, zie S m i d t, t. a. p., blz. 478, 479. Duidelijk is de bedoeling van den minister dus niet!

2) Natuurlijk kan hier alleen sprake zijn van niet-exclusieve rechtsfeiten, d. w. z. niet zulke rechtsfeiten, waarvan het een het ander uitsluit, b.v. diefstal en verduistering; staat vast, dat er diefstal is, dan staat tevens vast, dat er onmogelijk verduistering zij.n kan en omgekeerd; een handeling kan dus nooit diefstal e n verduistering zijn.

Sluiten