Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doen we dat, dan straffen we een en dezelfde handeling tweemaal, als waren er twee „gevallen". Dat nu wil de strafwet in art. 55, lid 1 Sr, voorkomen en ze doet dit aldus, dat ze één der beide strafbedreigingen voor niet toepasselijk verklaart. Ze schakelt een der strafbedreigingen uit; er is absorptie: poena major absorbet poenam minorem. Men legge op dit laatste (de eene strafbedreiging wordt ter zijde gesteld) den nadruk. Het is niet zoo, alsof hetgeen mede is geschied, het secundaire feit (in casu de zaakbeschadiging, de openbare schennis der eerbaarheid), nu elke strafrechtelijke beteekenis mist Integendeel, hetgeen mede is geschied (het secundaire feit) heeft strafrechtelijk wel degelijk belang; maar de wet wil door het medium der lex poenalis major mede dit feit gestraft zien, echter niet formeel zelfstandig. Een en ander is van belang voor de recidieve1).

Het verschil op dit punt tusschen den onechten concursus idealis en den echte is hierdoor tevens duidelijk geworden. Bij den eersten blijft niet alleen de bestraffing achterwege, maar blijft het secundaire feit als schuldige rechtsfeitsverwerkelijking steeds buiten beschouwing.

6. De wet geeft nader aan, welke strafbedreiging nu moet worden toegepast, n.1. slechts één dier strafbepalingen, bij verschil die, waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Mede in verband met het onder no. 5 betoogde is de vraag te stellen 2), of de delicten zelfstandig moeten worden gequalificeerd,. dan wel of de qualificatie alleen moet berusten op de strafbepaling, die wordt toegepast. Ons antwoord kan niet twijfelachtig zijn. Alet Simons e. a. achten wij het eerste juist3). Art. 55 Sr. bepaalt slechts de grootte van de straf, die thans moet worden opgelegd, maar wil niet hetgeen mede geschied is als niet-geschied aanmerken, integendeel, dit heeft zijn zelfstandige strafrechtelijke beteekenis en qualificatie.

7. De concursus idealis, waarvan hier sprake is, is dus de z.g.n. ongelijksoortige eendaadsche samenloop, wel te onderscheiden van den gelijksoortige.

Streng genomen, is de gelijksoortige eendaadsche samenloop (concursus idealis homogenius) in het geheel geen „samenloop". We hebben immers niet slechts met één „geval" te doen als een rechtsfeit door één handeling is verwerkelijkt ten aanzien van één object (één persoon is beleedigd, één gedood, één zilverbon uit de

M ZieNoyon, t. a. p., dl. I, blz. 320 en 321.

2) Zie Simons, t. a. p., dl. I, blz. 397.

3) Zie Simons, t. a. p., dl. I, blz. 396; van Hamel, t. a. p., blz. 518

Sluiten