Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dus de nationale wet, die hier heerscht; zij bepaalt, dat het feit zal worden gestraft.

Evenmin kan men zich op art. 68, lid 2 Sr. beroepen om aan te toonen, dat er in onze wet toch wel althans een beginsel is van een eerbiedigen en erkennen van vreemd recht. Want ook hier is geen sprake van erkenning of eerbiediging van vreemd recht. Dit volgt reeds dadelijk uit het feit, dat over de vraag of we met een „feit" te doen hebben, niet de vreemde, maar de nationale wet beslissend is. Altijd moet gevraagd of het feit hetzelfde is volgens nationaal recht; ook wat vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging is, enz., moet steeds worden beoordeeld naar het Nederlandsche recht. Slechts processueel wordt het vonnis van den buitenlandschen rechter met dat van onzen rechter gelijk gesteld.

4. De strafrechter behoeft derhalve nimmer buitenlandsch recht toe te passen. Dit beginsel, het z.g.n. territorialiteitsbeginsel heeft evenwel niet altijd gegolden en daarom behoort het volstrekt niet tot het wezen van het dusgenaamde internationale strafrecht, om nationaal te zijn. Integendeel, de geschiedenis leert ons, dat ons beginsel als hoofd- of uitsluitend beginsel eerst van den lateren tijd is. Maar dit verandert niets aan het feit, dat thans dit z.g.n. internationale strafrecht bestanddeel van onze strafwet is. Het „internationale strafrecht" bepaalt dus niet dat, wat wij zouden verwachten, n.1. welke van twee of meer tegelijkertijd geldende, maar locaal verschillende, strafwetgevingen moet worden toegepast, — maar is een bestanddeel van het Nederlandsche strafrecht, dat bepalingen geeft, betreffende de beteekenis van de internationale betrekkingen der handelingen voor de strafbaarheid.

5. De vraag naar de heerschappij van de strafwet bij collisie met andere wetgevingen is daarom alleen te stellen, als we te doen hebben met strafrechtsordeningen, die öf tegelijkertijd (b.v. rijksstrafrecht eenerzijds, gemeentestrafrecht anderzijds) óf na elkaar (b.v. de strafwetgeving voor en na 1886), maar steeds in denzelfden staat, gelden. Het intertemporeel strafrecht zal in de volgende § worden besproken. Hier volgen nog eenige opmerkingen over de verhouding van rijksstrafrecht tot het strafrecht van (provincie), gemeente (waterschappen, veemschappen en veenpolders).

6. De verhouding van de Rijkswet tot den plaatselijken wetgever heeft de Rijkswetgever, in beginsel, zelf geregeld. Deze is daarbij blijkbaar uitgegaan van de logisch juiste gedachte, dat in een staat slechts één geldingsbron kan bestaan en deze de rijkswet is (cf. art. 133, 134, 144, 191 Grw.). In dit licht bezien is het

Sluiten