Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

octies en novies spreken beurtelings van «schuldige» in verband met de «de rechterlijke uitspraak», «schuldig verklaard», «schuldig verklaarde».

Schuldig beteekent het zelfde als schuldigverklaarde, d.i. hij, van wien bij rechterlijk oordeel is vastgesteld, dat hij een hem ten laste gelegd feit heeft gepleegd, dat dit was onrechtmatig, aan schuld te wijten en paste op een strafbedreiging enz..

Wat beteekent «een feit»? Dit beteekent niet: feit zonder meer, maar: een onrechtmatige daad, en wel een bepaalde, zulk een, die met straf is bedreigd. Maar ook dit is niet voldoende. Want wat zou dan beteekenen: iemand is schuldig aan een onrechtmatige daad, m. a. w. is schuldig verklaard bij rechterlijke beslissing aan een onrechtmatige daad? Dat hij de daad heeft veroorzaakt? zooals de Minister tegenover Kist opmerkte toen deze vroeg: «Geeft de Minister zich zelf wel van die «schuldigverklaring voldoende rekenschap?» ') Is dit juist, dan beteekent ook in de andere artikelen «schuldig verklaard, enz.» niets meer, dan dat hij heeft veroorzaakt; het wijst dan op een vonnis of uitspraak, waarbij de rechter beslist, of het feit door den jeugdigen persoon is veroorzaakt Zoo dacht blijkbaar de Minister. De wet bepaalt echter anders. Art. 214 Sv. wijst op de artt. 38 en 39 en stelt boven allen twijfel vast, dat de wet «schuldigverklaring», «schuldig» in processueelen zin gebruikt; van de door den Minister gehuldigde opvatting is geen spoor te vinden. Zulk een schuldigverklaring kent onze wet niet. Immers art. 214 Sv. wil te kennen geven: is er een toerekeningsvatbaar jeugdige persoon (anders is er immers nooit een schuldigverklaring mogelijk volgens art. 211) dan wordt niet opgelegd de straf binnen de grenzen van het overtreden wetsartikel gelegen, maar de regeling van de rechtsgevolgen ten aanzien van dezen jeugdigen persoon wordt bepaald bij art. 38 en 39 Sw.. Hieruit volgt dus, dat «het feit» beteekent het onrechtmatige, «aan schuld te wijten» feit, dat bovendien onder een strafbedreiging valt. Anders in art. 37 Sw.. Want in geval van art. 37 kan nooit een schuldigverklaring plaats grijpen, kan hier art. 214 Sv. nooit toepasselijk zijn, maar art. 216 lid 2, Sv..

Deze uitlegging nu wordt bevestigd door elke bepaling van de artt. 39; art. 39 spreekt niet zonder meer van een «feit»,

*) S m i d t, Geschiedenis van het Wetboek v. Strafrecht, dl. V pag 386—387.

Sluiten