Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«door ieder mensch dagelijksch uitgevoerd. Indien ik nu de «vraag stel of een jurist als rechter plaats nemend, nog andere «werkzaamheden bovendien (dus andere dan 1. 2. 3.) verricht, «dan vermag ik die niet te ontdekken».

Het zou te veel plaatsruimte innemen deze zeldzame opeenstapeling van onjuistheden in het licht te stellen; wij volstaan met het volgende. Het behoeft wel geen betoog, dat toerekening niet gebonden is aan de causaliteit; dat subject der toerekening niet met dat der veroorzaking samenvalt. Wie dit stelt, miskent den zin van alle religie, van alle moraal en beweert ten opzichte van ons recht een onwaarheid. Wanneer de schrijver in het toerekenen belieft te zien het vaststellen, dat iemand iets heeft veroorzaakt, het zij zoo; de jurist als rechter plaats nemend, althans onze rechter, doet dat niet; weinig verandert hieraan des schrijvers onvermogen dit niet te kunnen ontdekken.

Nog bedenkelijker is de nevenschikking van «oorzaak zijn» of «een kenmerk hebben». Voor het delikt kinderdoodslag b.v. is o. a. vereischt, dat iemand het kenmerk heeft van moederzijn. Wordt nu dit moederschap toegerekend, omdat wij aan deze persoon het kenmerk van moeder toeschrijven? Niemand, die er aan denkt. De schrijver doelt waarschijnlijk op een rechterlijke of normatieve kwalificatie, goed, slecht, leelijk enz.. Maar dan blijkt ook duidelijk, dat deze auteur zich niet voldoende rekenschap heeft gegeven van het verschil in deze oordeelen: A heeft iets veroorzaakt en A is slecht, goed, leelijk, mooi enz.; van zijn en behooren of wat op hetzelfde neerkomt van normen en natuurwetten. Dit is des te meer opmerkelijk, omdat de schrijver in den aanvang van zijn opstel komt verklaren, dat strenge ethische regels aan alle handelingen ten grondslag moeten worden gelegd 1). Niet minder zonderling doet des schrijvers toegezegd streven (onder beroep op Jevons, Pascal, Heymans) ons aan, om «een zaak juist en helder in het licht te stellen» 2). De nevenschikking in ons verband van «oorzaak» en «kenmerk» is in het licht van 1'art de persuader stellig niet aanbevelingswaardig.

Doch er is meer. Men lette op de tweede «verrichting», het goed- of afkeuren (van de veroorzaking of dat hebben van een bepaald kenmerk). Wie goed- of afkeurt, die keurt; die heeft een criterium, een maatstaf; die legt een standaard aan, eerst

*) T. a. p., blz. 358. 2) T a. p., blz. 358.

Sluiten