Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgt uit hetgeen is opgemerkt de eenheid van het begrip onrechtmatig, de geslotenheid daarvan is een aprioristische noodwendigheid voor alle juridisch ordenen. Dit geldt evenzeer voor ons Nederlandsche Recht. Trouwens alleen zoo, onder de vooronderstelling der leemteloosheid en geslotenheid der rechtorde, der wet, laten zich het verbod van rechtsweigering en «vrije» rechtsschepping begrijpen.

Deze dogmata worden hier niet alzijdig toegelicht. Wij volstaan met te wijzen op hunne noodwendigheid.

Éen opmerking moet ons van het hart. Er heerscht hier groote verwarring. Ten bewijze daarvan worde het volgende voorbeeld aangehaald. Kosters *) wijst er op «hoe uit de «beraadslagingen over het voorschrift van art. 13 A. B., het «verbod van «déni de justice» volgt, dat bij leemten in de wet «de natuurlijke billijkheid door den rechter aan zijne uitspraak «ten grondslag is te leggen». «Het wordt te dikwijls vergeten, «niet slechts door hen, die alle leemten in de wet ontkennen, «dat de geschiedenis van art. 13 ons het recht geeft leemten «aan te nemen (hoe kan het ook anders, men denke b.v. aan «het internationaal privaatrecht) en dat wij in genoemde bepaling «een vasten wettelijken grondslag bezitten voor een rechtspraak «overeenkomstig de behoeften des levens» enz. enz.. Maar een artikel, dat leemten erkent en dat tevens een wettelijken grondslag voor rechtspraak bezit, is gelukkig in ons recht niet te vinden. Een wet, die lacunes vertoont en die tevens een grondslag (een wettelijken grondslag dus !) geeft voor een rechtspraak in die ... lacuneuze gevallen is onbegrijpelijk. Stel, uit art. 13 A. B. ware «af te leiden», dat er «leemten» zijn en dat alsdan de natuurlijke billijkheid tot grondslag strekke. Wat zou daaruit volgen: dit toch, dat de verbindendheid (Verbindtlichkeit) van datgene, wat natuurlijke billijkheid eischt, berusten zou op de natuurlijke billijkheid. Neen, zegt Kosters, niet op de natuurlijke billijkheid, maar op de wet, in deze wet heeft ze een vasten grondslag. Nu valt het in het oog, dat de verbindendheid van het natuurlijk-billijke slechts op de natuurlijke billijkheid, de verbindendheid van het zedelijke op de zedelijkheid, de verbindendheid van het rechtelijke op de wet (wil men de rechtsorde) kan berusten. Maar, zoo kan gevraagd, hoe kan dan

V' De plaats van gewoonte en volksovertuiging in het privaatrecht 1912, blz. 29.

Sluiten