Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoezeer deze poging heeft gefaald, zonder, dat kan worden gezegd, dat het recht ophoudt recht te zijn. Gerechtigheid is o. i. wel het doel van het recht, maar — en dit is het merkwaardige — dat doel sterft, zoodra dit aan het recht het aanzijn heeft geschonken, en het recht leeft verder, hoever het zich ook van zijn maker moge hebben vervreemd. Het doel is ontstaansgrond, maar niet zijnsgrond van het recht. In het gebied van het recht eischen we, wat we op ander gebied als een betreurenswaardig verschijnsel beschouwen: de verzelfstandiging van middel tot doel. De vorm zou de zaak dienen, nu moet de zaak voor den vorm wijken Dit zij, zoo schreef mijn leermeester in zijn Grundzüge der Rechtsphilosophie, den rechter tot troost: hoe onbillijk ook een rechtsregel zijn kan, deze regel kan en zal enkel door haar zijn een doel verwezenlijken. Want, ook als de rechter, wijl de wet dat nu eenmaal wil, ophoudt «dienaar» van de gerechtigheid te zijn, blijft hij steeds «dienaar» van den vrede. Alleen hij is voor zijn taak berekend, die doordrongen is van de waarheid, dat de rechter, dienaar niet alleen van de gerechtigheid, maar ook, ja vooral, van de rechtszekerheid is, dat het gewichtiger zijn kan, dat aan den strijd een einde wordt gemaakt, dan dat de strijd principieel juist is beslecht, dat het daar-zijn zonder meer der ordening gewichtiger zijn kan, dan haar bepaald zoó-zijn, dat «gerechtigheid te bevorderen» zijn tweede groote taak is, maar de eerste: de vrede.

Men spreekt wel, zooals we zagen, van Lücke im Recht. Men pleegt daarmede aan te duiden óf wel gevallen, waarin wij eenige uitdrukkelijke bepaling in de wet missen, welke in een concreet geval uitsluitsel zouden kunnen geven: de wet heeft dan, zoo heet het, in het geval niet voorzien, èf ook wil men met het woord Lücke te kennen geven, dat de wet wel een regeling geeft, zelfs zulk een, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat, maar wier inhoud wij afkeuren, omdat de wetgever bij de vaststelling zich niet heeft gericht naar de idee van het recht. In het eerste geval zou er geen regeling zijn, in het tweede is er wel een, maar ze is principieel niet juist. Hoe heeft de rechter nu te handelen? Het antwoord is niet twijfelachtig. Lücke in den eersten zin bestaan voor den rechter niet. De rechter, die zou verklaren, dat de wet zwijgt of onvolledig is, zou slechts stilzwijgen en onvolledigheid voorwenden. De rechter heeft uit te gaan van de leemteloosheid der wet en voor

Sluiten