Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«son droit, on causait un dommage par sa négligence ou son «imprudence, on serait responsable, non a cause du fait en soi, «mais a cause de la négligence ou de 1'imprudence qui aurait «accompagné le fait».

Volgens deze redeneering is het de bedoeling van het gebruik van het woord onrechtmatig, niet om alle niet-door-de-wet-verboden daden uit te sluiten, maar alleen die daden, welke verricht worden in de uitoefening van eenig recht. Daaruit volgt, dat «elke onrechtmatige daad» beteekent: elke daad, welke niet strekt tot uitoefening van eenig recht, die niet door het recht wordt gesteund, dus wordt verricht zonder recht, zonder subjectief recht.

Volgens Molengraaff beteekent hier onrechtmatig dus zonder recht, zonder subjectief recht. Maar dat is in de woorden van Barthelemy kwalijk te lezen. B. zegt, dat hij, die heeft een subjectief recht, niet een onrechtmatige daad kan begaan, zegt ook, dat, al maakt men gebruik van een subjectief recht, men daarom niet altijd vrij uitgaat. Ook hij, die een recht uitoefent, kan onrechtmatig handelen. Kan men nu beweren, dat hij, die zonder recht handelt, volgens Barthelemy geacht wordt onrechtmatig te handelen? Want ook hij, die een recht heeft, kan onrechtmatig handelen. Of houdt soms het subjectieve recht op te bestaan, omdat de bevoegde persoon het uitoefent nalatig en onvoorzichtig? Wat Molengraaff leest: onrechtmatig handelt hij, die handelt zonder recht, is bij Barthelemy juist niet te lezen. Molengraaff meent, dat daarom de uitlegging: «onrechtmatig is, wat niet geschiedt krachtens een recht, dat elders in de wet aan den dader bepaaldelijk wordt toegekend» verre de voorkeur verdient boven de uitlegging van onrechtmatig als door de wet niet verboden. Het zij zoo. Intusschen, waarover gaat de kwestie, wat wil Molengraaff betoogen ? Toch dit, dat de geschiedenis ten volle bevestigt, dat onrechtmatig is onzedelijk, onbetamelijk, enz.. Hoe kan de auteur zich dan toch op de woorden van B. beroepen, die volgens de uitlegging door Molengraaff zelf daaraan gegeven, zegt, dat onrechtmatig is, wat niet steunt op de wet. Of dus iets onrechtmatig is, wordt altijd beoordeeld niet naar de zedelijkheid of betamelijkheid, maar naar de wet. In art. 1401 is de onrechtmatigheid een voorwaarde voor de aansprakelijkheid ; deze treedt niet in, als de voorwaarde niet vervuld is. Altijd moet dus vaststaan, dat het recht, de wet (niet de zedelijkheid of betamelijk-

Zevenbergen, Verzamelde Werken. 10

Sluiten