Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, waaraan de wet het rechtsgevolg verbindt? Natuurlijk de wet. Welnu, wanneer de wet den plicht stelt, om bij de uitoefening van subjectieve rechten voorzorgen te nemen en voorzichtigheid te betrachten, dan — als dit zoo is — handelt hij, die zulks onvoorzichtig doet, natuurlijk onwetmatig. Art. 1402 eischt een noodige voorzienigheid en voorzichtigheid; is dit zoo, dan is dit toch de rechtens (wettelijk) noodige voorzichtigheid en handelt hij, die deze rechtens (wettelijk) noodige voorzichtigheid niet betracht, onwetmatig.

Molengraaff's redeneering zou opgaan, als het mogelijk was het bewijs te leveren, dat de wet iemand een bevoegdheid verleent, zonder, dat zij iets bepaalt over de schade, die daaruit voortvloeit; dat deze uitoefening echter aan de zedelijkheid en betamelijkheid niet onverschillig is en dat dus de wet daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden. Natuurlijk is dit bewijs niet te leveren. Maar zou het dan den geleerden schrijver ontgaan zijn, dat hij, door te spreken van een plicht, die op den gerechtigde rust en wel een plicht, die (blijkens het verband, waarin het aangehaalde werd gesproken), een wettelijke plicht is, precies het tegengestelde bewijst van wat hij zich te bewijzen tot taak had gesteld. Want iemand, die een wettelijken plicht overtreedt, handelt mogelijk onzedelijk of onbetamelijk, maar in ieder geval — en daarop komt het aan — onwettig, onwetmatig.

Molengraaff bedoelt wellicht het volgende: onrechtmatig beteekent onzedelijk, onbetamelijk. Welnu, iemand, die een recht uitoefent, kan dat onzedelijk, etc. doen, dus is hij verantwoordelijk voor de schade, die hij, alzoo doende, teweegbrengt; want «onrechtmatig» omvat ook het onzedelijke. Maar juist moet worden bewezen, dat onrechtmatig = onzedelijk, enz, dat de geschiedenis dit ten volle bevestigt. Geven wij de bedoeling van Molengraaff juist weer, dan berust de geheele redeneering op een petitio principii. Hebben we echter te lezen, wat er staat, wat Molengraaff zelf met zoovele woorden zegt, dan is daarin geen argument voor de ruime uitlegging te lezen, maar integendeel een argument voor de uitlegging: onrechtmatig is onwettig, d. i. in strijd met den in de rechtsorde uitgesproken wil van den Staat. Of de wet nu de noodige voorzichtigheid omschrijft of niet, doet niet het geringste af aan het feit, dat zij het nemen van voorzorgsmaatregelen gebiedt. Zelfs aangenomen, dat de maatstaf voor het «noodige» ontleend was aan de zedelijkheid of onbetamelijkheid, is daarmede dan

Sluiten