Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij herhalen echter, op het oogenblik, dat de rechter een keuze mag doen, zijn de normen van het maatschappelijk leven als zoodanig niet meer rechtsverbindend. De verplichtende instantie wordt dan bepaald door het richtsnoer, waaraan de inhoud dier normen wordt gemeten. Een van die normen is «bindend», ja, maar niet om zijn formeel karakter als maatschappelijke ordening, want hierin komt zij volmaakt met andere maatschappelijke ordeningen overeen, maar om haar bijzonderen inhoud, bijzonder, omdat zij alleen aan het richtsnoer beantwoordt. De toestand is dus deze, dat onrechtmatig niet is, en ook niet zijn kan, wat in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer geldende regels, dat de ordeningen van het maatschappelijk verkeer, zonder meer, niet rechtsverbindend zijn, maar die normen, welke beantwoorden aan een maatstaf, dien de rechter zich stelt.

Waarom dan dien langen weg der beslissing te voeren over de sociale ordeningen heen en niet liever via recta naar die, welke in laatste instantie bindend is?

Waarom dat beroep op die verbindende sociale ordeningen, als zij zonder meer juist niet bindend, d.i. rectóverbindend zijn?

Er is meer. Hoe denkt men zich in dezen gedachtengang wel een reeMspraak ? In onze constitutioneele monarchie is rechtspraak, rechtspraak, zoolang een rechtsregel aanwijsbaar is, waarop de rechter zijne werkzaamheid kan rechtvaardigen. Wie meent, dat bij leemten in de wet de rechter zal mogen rechtspreken (niet overeenkomstig de in het maatschappelijk verkeer geldende regels, want dat is onmogelijk, maar) naar een laatsten standaard van behoorlijkheid, die wijze op een rechtsregel op grond waarvan des rechters werkzaamheid aan den Staat wordt toegerekend.

Wel heeft men opgemerkt: de rechter «verlaat eenvoudig de wet», «de wetgever heeft den rechter den weg tot het recht willen afsnijden, maar het is hem niet gelukt» ; weer anderen gaven den raad «de wet te laten waaien» of wel «te laten varen», maar zulke opmerkingen zijn toch al te naief.

We vragen immers niet naar een natuurlijke historie van des rechters doen en laten, noch van wat het den rechter

normatief ordenen slechts mogelijk is, door uit te gaan van het beginsel, dat de normen van één hoogste autoriteit — welke dan ook — moeten uitgaan. Dat beginsel wordt hier geheel miskend.

Sluiten