Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«dan zal van het al of niet aanwezig zijn van schuld of opzet «afhangen of er een misdrijf is gepleegd; is dit laatste het geval, «dan zal naar het min of meer moreel afkeurenswaardige der «handeling, de rechter beslissen, welke strafsoort en vervolgens «welke mate van straf, zal worden toegepast; hij zal naar de «omstandigheden moeten uitmaken of de daad moreel toereken«baar is of niet» 1). Het valt moeilijk te ontkennen, dat zulk een argumentatie weinig geschikt is, om de ruime leer ingang te doen vinden. Een handig paracleet is de auteur, althans te dezer plaatse, zeker niet. Men zou toch zoo zeggen, als schuld of opzet aanwezig is (en dan is er volgens schrijver een misdrijf), — bestaat er voor den rechter geen plicht meer om nog te onderzoeken of uit te maken of de daad toerekenbaar, laat staan moreel toerekenbaar is; of bestaan er soms ontoerekenbare schuldige daden of misdrijven in dezen zin? Dat de rechter in strafzaken een daad geheel naar haar zedelijken aanblik moet beoordeelen, is m. i. onjuist; hierop nader in te gaan, heeft geen nut. De vraag mag echter worden gesteld, wat schrijver met «beoordeelen» wil te kennen geven. Wordt bedoeld de straftoemeting of wel de vaststelling, dat de dader een misdrijf pleegde ? Het verband, waarin en de strekking waarmede deze opmerking door den schrijver wordt gemaakt, doen vermoeden, dat hier het eerste wordt bedoeld; hetgeen echter onmiddellijk op deze woorden volgt, bewijst, dat schrijver het heeft over de straftoemeting. Blijkbaar onderscheidt de auteur beide verrichtingen niet. Dit blijkt duidelijk uit de volgende woorden : «Is «deze beslissing niet van denzelfden aard, als die, waarbij wordt «uitgemaakt of eene zekere schade door de schuld van iemand «is toegebracht?» •). Deze vraag kan natuurlijk alleen gesteld, als beoordeelen beteekent vaststellen, dat de dader verantwoordelijk is, of dat het delict is gepleegd.

Merkwaardig is voorts de bewering: «Ook in het privaat«recht heeft de wetgever op talrijke andere plaatsen reeds «verwezen naar het gebruik en naar hetgeen een waakzaam «burger in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan» 2). Talrijke andere plaatsen! Andere dan welke? Dan in art. 1401, zal het antwoord wel luiden, immers anders is het verband niet duidelijk. Dat art. 1401 naar het gebruik, enz. verwijst, dat had de schrijver moeten bewijzen. «Ik noem vooral die plaatsen

!) T. a. p., blz. 61.

2) T. a. p., blz. 62.

Sluiten