Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«aangegeven, kunnen ze het anderen niet euvel duiden, dat zij «■wel het te beslissen geval als type van een zeker genus be«schouwen». Is deze opmerking niet naïef? Twee drinkebroers ontmoeten elkaar, beiden zijn sterk «onder den invloed». De een zegt: misbruik maken van sterken drank is verkeerd. De waarheid, de algemeene geldigheid van dit oordeel, zou S c h o 11 en als weerlegd beschouwen door de bewering van den ander; ik zou maar zwijgen, want je drinkt zelf als een tempelier? «En «bovendien, ik meen aangetoond te hebben, dat het vaststellen «van het bestaan van een verband van «voorwaarde» en van «dat van «volledige oorzaak» door een zelfde functie van onzen «geest geschiedt en dat dus beide beschouwingen — zij het gradueel «verschillend — principieel van denzelfden aard zijn». Deze uitspraak acht ik gegrond, in zoover ze zich richt tot de meeste voorstanders van de theorie der conditio sine qua non. De leer zelf, mits juist verstaan, laat zij geheel intact. Aan een generaliseering heeft m.i. deze theorie niet de geringste behoefte. Het bewijs levert Schol ten wel in de volgende woorden: «wanneer A. zijn revolver op B. aanlegt, maar dan door C., «die B. helpen wil, bij den arm gegrepen wordt, waardoor de «kogel B., inplaats van in de borst, in het hoofd treft, dan is «de daad van C. zeker voorwaarde van den dood van B., «zooals hij gebeurde, maar dan wordt toch die daad door den jurist buiten beschouwing gelaten». Nemen we aan, dat dit alles juist is. Wordt hier «gegeneraliseerd» ? Natuurlijk niet, hier is van generaliseering geen sprake. Die verrichting van de jurist, die omstandigheden buiten beschouwing laat, welke, als men ze wegdenkt, het juridisch begrip onaangetast laten, heeft met generaliseering niets uit te staan. We zien hier de verwarring van de twee verrichtingen, waarop we reeds hebben gewezen, wederkeeren. Onder het geheel der veranderde voorwaarden onderscheidt de jurist zulke die wèl en zulke die niet van belang zijn voor de rechtsorde, omdat ze geen element vormen van den Tatbestand. Maar dit verandert niets aan het feit, dat die veranderende voorwaarden, veranderende voorwaarden (d.i. mede-oorzaak) zijn, zooals Scholten zelf toestemt. De jurist interesseert zich slechts voor de juridisch belangrijke omstandigheden, hij pikt er dus eenige uit, hij perkt de omstandigheden af, hij begrenst ze. Dit uitpikken, dit afperken, dit begrenzen is toch geen generaliseeren. Daarom is de conclusie onjuist, want uit die twee oordeelen is geen conclusie te trekken. De

Sluiten