Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gend. Is dit juist, dan kan niet worden ontkend, dat men tweeërlei criteria in de wet moet lezen. Is de dader ontoerekeningsvatbaar, dan is de basis het weten van den bonus vir (S i m o n s maakt de basis grooter); is hij toerekeningsvatbaar, dan het weten van den bonus vir en wel van dezen dader, die juist in dit opzicht iets meer of iets anders is, dan de bonus vir.

Anderzijds kan men opmerken, dat de hanteering van bedoeld beginsel niet een specifieke werkzaamheid is van den natuurkundige, maar een rechte(r)lijke; dat de rechtsorde slechts op het normale en regelmatige is gebouwd en dat daarom dergelijke afwijkingen van zelf zijn gegeven : deze afwijkingen te achterhalen is noch altijd mogelijk, noch altijd gewenscht.

Het wil ons toeschijnen, dat de meening, dat ook de speciale kennis van den dader in aanmerking komt, kan worden weerlegd met de opmerking, dat «men» iets anders is, dan de «dader», de «debiteur». De voorzienbaarheid worde beoordeeld op het tijdstip van het plegen der handeling, enz.. Op dat tijdstip was het speciale inzicht het deel van den dader, het kan dus niet in aanmerking komen. We moeten dus vragen, of de wet toelaat ook op dit speciale inzicht te letten. Welnu, dan kan het antwoord niet anders dan ontkennend luiden. De wet gebiedt, naar mij toeschijnt, de toepassing van dit beginsel in dezen vorm, dat de toestand worde beoordeeld naar het tijdstip van het plegen der handeling en overeenkomstig de kennis en het inzicht van «men», d. i. den rechter. Het is waar, art. 1283 sluit juist de toepassing van dit beginsel uit, als de debiteur «arglistig» was. Men zou wellicht kunnen opmerken: is dit geen aanwijzing om juist ook op het inzicht van den dader te letten ? Ik hecht aan dit argument geen waarde, zelfs al ware het op zich zelf juist. Artt. 1279 vlg. geven mede een «beperking» van de aansprakelijkheid, deze beperking vervalt, als de debiteur door eigen schuld (arglist) de verbintenis niet heeft nagekomen. Het verlies van dit rechtsvoordeel is blijkbaar gegrond op den ernst der laakbaarheid. Bij artt. 1401 vlg. wordt juist op de mate der laakbaarheid geen acht geslagen, daardoor wordt dan ook de toepassing van dit artikel in onze materie verboden.

De rechter abstraheere dus van het voor menschelijke kennis ontoegankelijke. Binnen de grenzen van het algemeene ervaringsweten der menschheid abstraheere hij van alles, wat ligt buiten

Sluiten