Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat beide aan de rechtspersoon zinnelijke realiteit ontzeggen. De waarheid is, dat persoon is een normbegrip. Waar geen normen zijn, daar zijn geen personen. Doch juist, wijl persoon een normbegrip, wijl rechtspersoon een rechts-normbegrip is, laat zich dit begrip over den aard van den drager dier plichten niet uit. In den regel is deze drager een mensch. Doch reeds de oude rechtgeschiedenis doet ons personen kennen, die nietmensch en menschen, die niet-persoon zijn. Spreekt men van rechtspersoon, dan heeft men in den regel het oog gericht op een meer enger begrip en wel op een persoon, die niet tevens individu of mensch is. Hier begint nu het streven, om aan te toonen, niet wat de persoon, de rechtspersoon is, (want dit is al heel eenvoudig), maar wat die persoon in de concrete of zinnelijke realiteit is; men vraagt naar hare «Sinnfiillige Erscheinung», naar wat «er eigenlijk achter zit». Men wil weten, wat die rechtspersoon van de «natuurlijke persoon» van biologisch of sociologisch standpunt onderscheidt. Hier treffen we vooral twee theorieën. De fictie theorie leert, dat er geen eenheid is, ze wordt gefingeerd. De orgaan-leer zegt, dat er wel degelijk een eenheid is, een, die willen, handelen enz. kan.

De fictie-theorie is onjuist, voor zoover ze alle eenheid ontkent. Ze ziet over het hoofd, dat deze geloochende eenheid inderdaad is, d. i. als juridische eenheid, dat deze eenheid dus ongetwijfeld realiteit bezit, zij het ook niet een zinnelijke. Want — en hierin heeft m. i. de fictie-theorie gelijk — het geheel der ervaring toont, als we letten op het «substraat» der rechtspersoonlijkheid, ons veeleer een veelheid van dingen, van dingen ieder met een eigen zin. Het geheel, dat, of de eenheid, die men zich denkt, vertoont zich aan ons oog niet als een afzonderlijk en op zich zelf staand ding, maar als een som der enkele individuen. Voor de ervaring is er geen eenheid van zijn, ook niet bij de rechtspersoon; dit is de reden, waarom het advies van Struycken wees op een ernstige misvatting. Er is een eenheid, niet van zijn, maar van behooren, er is een constructieve eenheid. De jurist, zoo meenen wij, fingeert niet een eenheid, hij stelt niet een eenheid in de concrete realiteit in bewuste tegenspraak met de werkelijkheid of met de ervaring; hij construeert, door het eigenaardige proces der toerekening.

De rechtswetenschap heeft niet tot taak de werkelijkheid te verklaren; ze heeft dus ook niet de minste behoefte, om een eenheid te fingeeren, in die werkelijkheid te stellen. Het begrip

Sluiten