is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzamelde opstellen van Willem Zevenbergen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

realiteit van het begrip rechtspersoon. Zou de schrijver zich niet vergissen en veeleer bedoeld hebben te vragen naar de realiteit der rechtspersoon als zoodanig. Immers de vraag naar de realiteit van het begrip van iets is zeker gerechtigd, maar is wel te scheiden van de andere vraag naar de realiteit van dat iets als zoodanig. Intusschen de vraag naar de mate van realiteit (in hoeverre komt aan het begrip rechtspersoon realiteit toe) van het begrip rechtspersoon is hier zonder zin. Heeft het begrip rechtspersoon dan meer of minder of een andere realiteit dan het begrip van iets anders, b.v, van inktkoker? En de rechtswetenschap, d. i. de wetenschap van het recht zou niet kunnen zeggen of haar begrippen realiteit toekomen?

Het is duidelijk: de schrijver vraagt naar de realiteit van het begrip van iets en bedoelt te vragen naar de realiteit van dat iets als zoodanig, wat geheel iets anders is. Maar ook deze vraag geeft aanleiding tot deze andere: wat bedoelt U hier met realiteit? Immers we hebben even te voren gelezen, dat «rechtspersoon» een categorie is, een denkvorm en dus ook alszoodanig «is», realiteit heeft. Hoe kan nu in weerwil daarvan worden beweerd, dat deze vraag door de rechtswetenschap niet kan worden beantwoord. Zij heeft iets «tot substantie gemaakt», zoo heet het; het zij zoo. En deze substantie «is» niet, althans de rechtswetenschap vermag niet te zeggen, dat zij «is»? Het is wederom duidelijk : realiteit heeft hier een oneigelijken, empirischen zin. Schrijver schijnt den lezer de vraag in den mond te leggen : kan ik de rechtspersoon waarnemen, kan ik van haar zinnelijke ervaring hebben, wat is de plaats, die zij in de zinnewereld inneemt, in ruimte en tijd?

Maar doet zulk een vraag niet vreemd aan, als te voren is uit-een gezet, dat rechtspersoon een denkvorm is, een vorm, waarin wij denken? Als eerst gezegd is, dat rechtspersoon vorm van een materie is, hoe kan dan in redelijkheid gevraagd naar de zinnelijke realiteit van dien vorm ? En toch dat zinnelijkreëele van de materie (niet natuurlijk van den vorm), «die sinnfallige Erscheinung», die wij hebben geordend in de categorie der rechtspersoon, m. a. w. datgene wat «achter» den vorm, de rechtspersoon zit, dat wordt het wezen der rechtspersoon genoemd, dat wordt het «eigenlijke» geheeten!

Heeft nu een aandachtig lezer geen voldoende reden om de vraag te stellen: Hoe nu, kan het wezen van iets datgene zijn, dat achter dat iets zit, kan het wezen van het subjectieve of