Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dader is hij, die oorzaak is. Huldigt men de theorie der conditio sine qua non, dan is tevens gezegd, dat aan een onderscheiding der deelnemingsvormen in dit geval (n.1. als het delict atypisch is) geen behoefte bestaat. Voor zoover de wet echter typische gedragingen sanctioneert (wat in het strafrecht steeds, in het burgerlijk recht soms het geval is) is de causaliteitsvraag voor het leerstuk der deelneming zonder beteekenis. Het is daarom geboden twee vragen streng te scheiden: vooreerst en in het algemeen deze: is de «deelnemer» «oorzaak»: vervolgens en in het bijzonder: is hij «dader». Aan het causaal karakter van de handelingen dezer personen kan, dunkt ons, niet worden getwijfeld. Vooreerst de middellijke dader; hij is oorzaak, is hij ook «dader» ?

Sim ons schijnt in meergenoemd opstel tot de conclusie te komen, dat in vele gevallen van middellijk daderschap eigenlijk niemand verantwoordelijk is, omdat de middellijke dader niet veroorzaakt; de dader niet, omdat hij geen «dader» is. Immers de middellijke dader,, die gebruik maakt van een mensch, die handelen kon, heeft volgens de leer van Simons niet veroorzaakt ; de manus ministra is juist als zoodanig niet verantwoor delijk; eerst dan spreken wij van een manus ministra. Is echter noch de manus domina, noch de manus ministra verantwoordelijk, dan is niemand verantwoordelijk. Het strafrechtelijk begrip van doen plegen strekt zich, schrijft Simons, niet slechts uit tot het geval, waarin hij, die de materieele daad verrichtte, niet geacht kan worden, bewust te hebben gehandeld, maar wordt ook aangenomen, wanneer de uitvoerder der materieele daad bewust handelde, doch ontoerekenbaar is, of wanneer opzet of schuld ontbreken. Welnu, meent Simons, dan handelt niét de manus domina. Nu is het merkwaardig, dat Simons mede over uitlokking spreekt en deze met middellijk daderschap over één kam scheert. Maar dat is niet geoorloofd. De uitgelokte is zelf verantwoordelijk, de manus ministra niet. En hierop berust juist de mogelijkheid de manus domina «dader», den uitlokker «deelnemer» in engeren zin te noemen. S i m on s rechtvaardigt deze gelijkstelling met de opmerking, dat het karakter van beide, uit een theoretisch oogpunt, geen verschil maakt en in elk geval, afgescheiden van de bepalingen van het positieve recht, zij beiden voor het leerstuk der causaliteit diezelfde beantwoording toelaten. Wat hier onder «een theoretisch oogpunt» verstaan wordt, is niet gemakkelijk te zeggen. Voor zoover het theoretisch

Sluiten