Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«heit beherrscht, ist nachweisbar die, dass er das Recht aus «einem Vertrage oder einer Verleihung habe, der Gedaoke, dass «er es aus einem Rechtssatz habe, ist ihm vollstandig fremd. «Und auch in der Gegenwart wird, so lange die juristische «Theorie nicht hineinspielt, stets angenommen, dass sich nicht «aus Rechtssatzen, sondern aus Reziehungen der Menschen «Rechte ergeben, aus der Ehe, aus dem Vertrage, aus dem «Testamente».

Waar het hier gaat, niet om wat deze of gene heeft gedacht, maar om denkbaarheden, is het in dit verband van weinig belang, welke voorstellingen heerschend zijn. Dat, vóór de mensch-in-samenleving zich een doel stelde en dit verwerkelijkte, er een norm is geweest, die aan die doelstelling en deze sociale doelverwerkelijking richting gaf, dat kan geen redelijk mensch beweren, echter evenmin het tegendeel. Hoe een en ander in den tijd is verloopen, is ons nog niet bekend. Maar hoe laat zich dit alles denkend Hoe laat zich denken, dat het recht uit het verdrag, de overeenkomst ontstaat. Spreekt E h rlich hier van overeenkomst, van huwelijk enz., dan heeft hij het oog op feitelijke gebeurtenissen; hoe echter uit feitelijke gebeurtenissen recht ontstaan kan, niet in den zin van voorstellingen van recht, maar recht als zoodanig, is natuurlijk niet in te zien. Dat huwelijken zijn gesloten, overeenkomsten zijn aangegaan toen aan recht nog niet werd gedacht, is mogelijk, maar dat een overeenkomst, een huwelijk, «waaruit rechten voortvloeien», denkbaar is, zonder dat het bestaan eener orde wordt gesteld, is eenvoudig uitgesloten. Wat voor de Uebung geldt is even zeer toepasselijk op de «Herrschaftsverhaltnisse, Resitzverhültnisse, die Vertrage, Satzungen» enz. enz.. Juridisch komen natuurlijk alleen rec/ifeverhoudingen in aanmerking, het is juist de rechtsorde, de moraal enz., die deze machtsverhouding qualificeert

Machtsverhoudingen zijn dus in dezen zin in het geheel geen «Tatsachen des Rechts». Het is duidelijk, dat Ehrlich derhalve ook hier het oog heeft niet op het recht als zoodanig, maar op den psychologischen neerslag van het recht, op het feitelijke, niet op het behoorlijke. Dit feitelijke, zoo wil Ehrlich te kennen geven, behoort men normatieve kracht toe te kennen, de normatieve kracht van het feitelijke.

Een tweede object der rechtssociologie is de rechtsregel (Rechtssatz), bloot als feit beschouwd, derhalve slechts ten aan-

Sluiten