is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzamelde opstellen van Willem Zevenbergen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is nu, of zulk een regeling het karakter van rechtsregeling daardoor verliest, dat het ethisch of conventioneel bewustzijn een afkeurend oordeel over haar behoort uit te spreken. Houdt een ordening van het sociale leven op, rechtsorde te zijn, wijl haar inhoud op het gebied, waarop ook de zeden, moraal enz. hunne postulaten stellen, met deze postulaten in strijd zijn? M. i. moet deze vraag kortweg en beslist ontkennend worden beantwoord. Zoodra men aanneemt, dat recht iets anders is, dan moraal, zeden, normen der religie, spreekt het immers vanzelf, dat bij normencollisie de rechtsnorm niet ophoudt norm van het recht, de zedenorm enz. norm van de zede enz. te zijn.

Denkbaar is echter, dat men ons wijst op een systeem van normen of ook op een idee, waarnaar elke rechtsregel behoort te zijn gericht en geleid. Het is mogelijk, dat dan een disharmonie aanwijsbaar is ; men spreekt hier wel van rechtspolilische, normatieve of critische leemten. Men kan nu van meening zijn en beweren, dat eenige rechtsordening daarom reeds geen recht, geen positief recht, zijn kan, daarom hare rechtskwaliteit komt te verliezen, wijl zij met deze rechtsidee strijdt1). Te ontkennen is echter niet, dat toch een regeling is getroffen — zij het ook eene, die niet door de idee is geleid. Langs den weg der critische waardeering, der qualitatieve bepaling, kan ik eerst dan tot de conclusie komen, dat de wet een normatieve leemte bevat, als is komen vast te staan, dat er een regeling getroffen is. Want hierover kan geen twijfel meer bestaan, de rechtsidee is niet,' zooals vroeger gemeend werd, speculatief, maar is

bezit. Het klinkt wel eenigermate vreemd, het recht, het moreele, het aesthetische, het heilige — als ordening — subject te noemen. Toch is deze zienswijze in waarlijk idealistischen — d. i. in ef/iïsc/j-idealistischen zin — de eenig mogelijke. Want zij kan doen uitkomen, dat dit gebied — onze handelingen en onze gezindheden — de materie dier qualificaties zijn, en dat het recht qualificeert. Hierdoor kan ook beter tot zijn recht komen het inzicht in het — in formeelen zin — categorisch en rigoristisch karakter, dat aan ieder systeem van behooren, aan ieder complex van normen onafscheidelijk is verbonden. Iedere norm vraagt onze gehoorzaamheid, onze toewijding, ook tot iederen prijs. Of de vervulling dezer norm den verlangden prijs waard is, daarover kan deze norm zelf niet meer beslissen, maar stelt ons voor de vraag of deze zich kan voegen in de eenheid van ons waardebewustzijn.

i) Inderdaad ontbreekt het niet aan schrijvers, die tot deze consequentie zijn gekomen. Ik wees hierop reeds in mijn opstel in Themis, 1917. Zie voorts Lask in Die Philosophie im zivanzigsten Jahrhundert — Festschrift für K u n o F i s c h e r, 2e Aufl. 1907 blz. 273 v.