Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bronnen van het recht zijn, b.v. wet, gewoonte, rechtspraak, wetenschap, dat de prioriteit van de een boven de ander niet bepaald wordt door een feitelijkheid, b.v. een sociaalpsychologisch feit, maar dat veeleer een boedelscheiding en grensregeling behoort plaats te grijpen. Wat den voorrang bezit, bepaalt, zoo meent men, niet de werkelijkheid, maar de waarde der bepalingen.

Geeft men zich echter rekenschap van de verrichting van den geest, die bij zulk een boedelscheiding logisch moet plaats grijpen, dan valt dadelijk in het oog, dat men niet boedelscheiden kan zonder een norm, zonder een richtsnoer. Boedelscheiden is juist alles behalve een planloos, ongeordend scheiden. WTelnu, onderstelt uit den aard der zaak een boedelscheiding of een grensregeling een maatstaf, een richtsnoer, een norm, dus ook zulk een regeling onder of tusschen de heerschappij van rechtsbronnen, dan moet de vraag worden gesteld en beantwoord : welke is die norm, wat is het richtsnoer? Welk antwoord op deze vraag ook moge gegeven worden, nooit of te nimmer kan dit antwoord verwijzen naar een dier bronnen, naar een deel van den boedel, b.v. de wet of het gewoonterecht. Het moet een buitenrechtelijk criterium zijn. Maar wat zien we nu? De vraag, wat rechtens zijn zal, wordt niet bepaald door de normen van het recht (d. w. z. van een der rechtsbronnen), maar door een normencomplex, dat de rechtsorde, dus de rechtsbronnen, zelf regelt. Niet geldt dan het recht (d. w. z. een der rechtsbronnen), wijl het recht is, maar wijl en voor zoover het waardevol is, althans ontspruit uit, of, juister, geldt krachtens een bron, die meerdere waarde heeft.

Deze opvatting is onhoudbaar, want zij geeft de formeele zelfstandigheid van het recht, wil men, het positieve recht prijs. Neemt men het ernst met de woorden: recht blijft recht, ook al is het onrecht, erkent men dat positief recht, wijl het recht is, aanspraak op gehoorzaamheid maakt, dan is een boedelscheiding of grensregeling tusschen de bronnen logisch onmogelijk.

Laat men, in de derde plaats, als beslissend criterium noch het meergenoemde sociaal-psychologisch feil, noch de waarde der bronnen in aanmerking komen, dan schijnt niets anders over te blijven, dan de erkenning van een parallelliteit der rechtsbronnen, waaruit dan echter vanzelf de mogelijkheid volgt van een juridisch onoplosbaar conflict. Toch moet dit conflict opgelost worden. Als de wet, des rechters rechtsgevoel, rechts-

Sluiten