Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet het sceptisisme vroeg aan Calvyn, gelijk aan Thomas van Aquino zekerheid, maar een geloovig volk vroeg om wapenen ter verdediging en om verheldering van inzicht. En dat nu is het wat Calvyn ons in zijn Institutie op zoo meesterlijke wijze geeft.

Eens Christen's belijdenis moest niet uit de onklaarheden van het gemoed, maar ter laatster instantie uit het bewustzijn komen. Er moest in die Belijdenis de veerkracht der eenheid glinsteren. En ook, tegenover anderen zich bevindende, moest hij niet met een mond vol tanden staan, maar rekenschap kunnen geven van de hope, die in hem was-

En die drie nu, klaarheid, eenheid en veiligheid van belijdenis, dankten de Gereformeerde natiën destijds metterdaad aan Calvijn's Institutie.

Van daar dan ook hare verbazende opgang en ongelooflijke verbreiding.

Van daar de gestadige zorge die Calvyn telkens op nieuw aan dit zijn hoofdwerk heeft ten koste gelegd.

En van daar eindelijk, dat nog lang na zijn dood Calvyn's Istitutie in menigen kring macht en autoriteit bezit om over het al of niet Gereformeerd karakter van belijdenis en prediking te beslissen.

8. En hiermee komen we van zelf op de vrucht, die, zoo ik hoop, ook deze herdruk van Corsman's vertaling voor het thans levend geslacht zal kunnen dragen.

Het Calvinisme dat sedert Joan van den Honert's afval smadelijk door onze godgeleerden verlaten werd, kreeg weder ingang. Dit is niet gezegd, alsof we Van den Honert's verdiensten verkleinen wilden. Integendeel de tegenstelling tegen de Luthersche theologie heeft Joan van der Honert nog tamelijk sterk doen uitkomen, en vergeleken bij wat velen heden ten dage „gereformeerd" gelieven te noemen, was hij nog hyperorthodox. Maar toch hij was het die met Comrie en Holtius brak, en, zonder het te weten, in dien giftigen strijd, de levensdraad tusschen het Calvinisme en onze godgeleerde faculteiten doorsneed. Comrie en Holtius waren zeldzaam kundige godgeleerden, die drang in zich gevoelden, om de ontwikkeling der theologie voorttezetten, en die dit met name deden op het stuk van de „rechtvaardiging door het geloof", overmits de Gereformeerde kerk dit Shibboleth der Luthersche reformatie nog nimmer op volkomen zuivere wijze in zich had opgenomen. En daartegen nu trok Van den Honert, en straks met hem de Leidsche Theologische faculteit te velde. Blijkbaar was die faculteit reeds ondermijnd; anders had ze Comrie misschien nog verbeterd; maar zou ze hem in geen geval als een theologisch monster bestreden hebben.

De uitkomst toont dan ook, hoe van die ure af de dusgenaamde nachtschool, d. i. het Calvinisme zich terugtrekt onder het geloovige volk, terwijl de Theologische faculteit eerst vermagert en verdort, en dan met Schleiermacher den wijsgeerigen, theosophischen en Lutherschen vorm van belijdenis inhaalt.

Want dit is het eigenlijke punt waar het op aankomt: Onze tegenwoordige theologie zooals ze door 7o°/0 van onze predikanten beleden wordt, is wijsgeerig en niet Schriftuurlijk; en voor zoover Schriftuurlijk niet Gereformeerd maar Luthersch; en dat wel Luthersch, niet in Nederlandsch-nationalen, maar in Duitschen zin.

Onze eigene godgeleerdheid hebben onze predikanten geminacht en Duitsche boeken binnengeloodsd. Gereformeerde lectuur gehaat en Luthersche voor prijs bedongen. Uit de eigen wateren dronken ze niet, maar uit de wateren van Pharpar vulden ze zich den beker.

Maar thans komt hier beterschap in.

De algemeene neiging der geesten, die thans alles verbizondert, heeft ook ten onzent weer de oogen geopend voor onzen Gereformeerden schat, en Calvyn's naam is weer aan velen lief geworden.

Zoo zelfs, dat ieder thans gereformeerd wil heeten. Niet enkel de ethischen van de type Gunning en de Neo Kohlbruggianen van de richting van Prol. Böhl i); maar ook zelfs de Groningers, waarvan een der woordvoerders nog onlangs betuigde, dat ook hij wel terdege op den bodem van onze belijdenis stond.

i) Het is zoo diep te betreuren, dat deze verdienstelijke schrijver almeer derwijs op doolpaden afzwierf. Toch mager niet langer geaarzeld, met openlijk uit te spreken, dat hij de Gereformeerde paden verliet. In zijn pas verschenen dogmatiek leze men, om zich hiervan te overtuigen, slechts wat hij op pag. 312 van den Emmanuël schreef. Daar toch zegt hij met even zoovele woorden, dat de Christus ook onder de toegerekende zonde van Adam stond, even als wij. Zoo toch schrijft hij: „Hij verkreeg, krachtens deze geboorte, juist zulk een volkomen menschelijke natuur als wij en is als zoodanig de toerekening van de zonde van Adam, even als wij allen, deelachtig." Of in het Duitsch : Er ist kraft diese Geburt gerade so eine vüllige Menschliche Natur wie wir, und ist als Solcher der Zurechnungder Sünde Adams, wie wir alle^ theilhaftig?' Dat: even als icy, is ontzettend!

Sluiten