Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 5. 4.

Soo is dan schandelick de ondanckbaerheydtdergener die Godt, den welcken sy in haer selven op soo veel manieren ghevoeleu, verachten : en

daerom te aehandelicker om datse van hare ziel, die inet so veel gaven vcrciert is, tot den werckmeester selfs niet op en klimmen.

Godts geslachte zijn: 0111 dat hy ons met soo grooten cieraet op pronckt, en also daer mede betuvght dat hy onsen Vader is. Ghelijck oock de Heydensche Poëten uyt het ghemeen ghevoelen en als door d ervarentheyt onderwesen zijnde hem genoemt hebben den Vader der menschen. Ende niemandt en sal geern en van selfs hem-selven Gode ter gehoorsaemheydt op-offeren, dan die geen dewelcke door de smaeck van sijne Vaderlicke liefde wordt aengelockt om hem wederom lief te hebben en te dienen.

4. En alhier wordt ontdeckt die schandelicke ondanckbaerheyt der menschen , dewelcke hebbende in haer selven een werck-plaets die met ontallicke wercken Godts rijckeliek ghestoffeert is, en te ghelijck oock een winckel die met eenen onweerdeerlicken overvloet van goederen is vervult, daer sy behoorden uyt te breken om Godt te loven, nochtans in het tegendeel door soo veel te meerder grootsheydt opswellen en haer dick maken 1). Sy vernemen op hoe wonderbare wijsen Godt in haer werckt; en hoe grooten verscheydenheyt der gaven sy door sijne mildigheydt besitten , worden sy oock wel gehewaer uyt het ghebruyck der selver. Dat dit teeckenen en bewijsen der Godtheyt zijn, moetense verstaen en weten 't zy ofse willen of niet, en nochtans onderdruckense die wetenschap en kennis binnen haer selven. Het en is niet van nooden datse gaen buyten haer selven, alsse maer slechts sich selven 2) niet toe en schrijven dat gheen het welck uyt den Hemel ghegeven is, en in de aerde niet en begraven 't gheen haer licht verleent om Godt klaerlick t' aenschouwen. Jae de aerde draeght te deser tijdt veel seldtsame en vreemde geesten, dewelcke sich niet en ontsien 't gantsche zaedt en beginsel der Godtheyt, het welck in des menschen natuyr gezaeyt is, toe te brengen en te gebruycken om Godes Naem te verduysteren. Ick bidde u, hoe verfoeyelick is deze uytsinnigheyt, dat de mensch die in sijn ziel en lichaam Godt wel hondert mael vindt,

onder den deckmantel van dese sijne voortreffelickheydt loochent 3) datter een Godt is? Sy en konnen niet seggen datse door avontuyr en gheval van de onredelicke dieren onderseheyden zijn: Wat doense dan? Sy nemen alleenlick Godt wech, hem bedeckende en wech duyekende onder het voorhanghsel van de Natuyr, dewelcke sy oordeelen te zijn de werek-meesterse van alle dinghen. Sij sien soo een seer uytsteeckende konst in alle hare ledematen van de mont en ooghen af tot de uyterste nagelen harer voeten. Doch

1) verdicken. 2) []. 3) versaeckt.

sy stellen in desen oock de Natuyr in Godes stede. Maer insonderheyt geven die soo seer veerdige bewegingen, die soo seer heerlickc krachten, en die soo seer seldtsame gaven van de ziel ghetuyghnis der Godtheydt die haer niet lichtelick en laet wech stommelen: indien niet f d' Epicureische lekkerbekken 1) als moedige ff Cyclopes, uit dese hoogheyt van 's menschen ziel soo veel te hooghmoediger Gode met krijgh en oorlogh bespronghen. Sullen dan alle de schatten der hemelscher wijsheydt te samen komen om een wormken van vijf voeten te regeeren? En salmen de gantsche wereldt dit privilegie en voor-recht weygheren en opsegghen? § Voor eerst yetwes in de ziel te stellen 't welck instrumenteel is, en met alle de deelen over een stemt, 't is soo verre van daer dat door sulcks de eere Godts soude werden verduystert, dat deselve selfs oock daer door veel meer wort verklaert. Laet my * Epicurus antwoorden en segghen, wat t' samen-komst en ontmoetingh der ondeelige stofkens de spijse en dranck verteert, en een deel daer van tot dreck en uytworpsel, een deel wederom tot bloedt maeckt, en voorts te weghe brenght. dat alle ledematen des lichaems soo grooten gheschicktheydt hebben om haer werek te doen, even eens als of oock soo veel zielen met gemeen ad vijs en raedt een lichaem regeerden.

5. f Doch ick en wil nu geenen strijdt aennemen met dien ff swijnen-stal: ick wende veel meer mijn propoost tot de ghene, dewelcke sich tot verkeerde scherpsinnigheydt begheven hebbende , geern die ijdele 2) reden van Aristoteles door een kromme buygingh souden trecken soo wel om de onsterffelickhevdt der ziele te niet te doen, als om Godt

van sijn recht te berooven. Want om dat de krachten van de ziel instrumenteel en werckende zijn , soo binden sy onder dien deckmantel de ziel aen het lichaem , soo dat die (na haer seggen) sonder het lichaem niet en kan bestaen: en door 't verheffen van de natuyr onderdruckense den N&em Godts, so veel als in hen is. Maer 't is verre van daer dat de krachten van de ziel souden bepaelt en ingesloten zijn binnen de ampten en werckinghen die tot het lichaem behooren. Want wat raeckt doch dit het lichaem, dat ghij den Hemel meet, het getal der sterren t'samen brengt, de grootte van een yeder sterre weet, en daer toe verstaet hoe wijt en ruym d'een van d'ander afgescheyden is , door hoedanigen snelheyt of traegheyt datse haren loop volbrenghen , en hoe veel graden datse herwaerts of ginswaerts afwijeken ? Ick bekenne wel dat

1) mest-verekens. 2) blaeuwe.

f Ue Philosooph Epicurus glievoelde dat alle dingen bij gevalle gebeurden.

ff Cyclopes waren (gelijck

de Poëten schrijven) lteusen so opghebtasenen I1003moedigh, datse de Goden selfs uyt den Hemel sochten tcstootcn. § Ten hindert der heerlickheyt Godts niet dat in de ziel (volghens liet seggen Aristotelis) yetwes instrumenteels gestelt wort.

* Epicurus seyde dat de werelt gheworden was uyt de t' samen-vergadering en ontmoetingh van ondeelige stofkens, en dat alle dingen gevielen door de t' samen-komst en ontmoeting van sulcke stofkens.

~ f Want de

krachten eu werekingen der ziele betoonen allen menschen dat de ziel haer eyghen en bysonder werek heeft afgbesondert van het lichaem,hare onsterffelickheydt wort oock met bondighe redenen bcwesen.

ff Epicurus is een swijn gheacht oock bij de verstandighe Heydenen.

Sluiten