Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T. f». 3.

Eerst door Goddelicke aenspraken, door gesichten, en door den

dienst der Patriarchen.

Daer na, door de verkondinge der Wet endoor de Predicatien der Propheten.

Ziet het 2. Boeck, capp. 7. en 8.

Rom. 10. 4.

en gront heeft: maer ick wijse nu alleenlick aen hoe datmen uyt de Schrifture moet leeren, dat Godt die de Schepper der werelt is door sekere mercken en teeckenen van den gheheelen hoop der valsche goden onderscheyden wordt, 't Vervolgh selfs sal ons daer na bequamelick tot de verlossing afleyden. En al hoewel wy uyt het Nieuwe Testament veel ghetuygenissen, en oock andere uyt de Wet en Propheten, alwaer van Christo uytdruckelick wort gemeldet, sullen by brengen: so sullen nochtans die alle te gelijck tot dit eynde dienen , te weten, dat Godt de werck-meester der werelt ons in de Schriftuyr geopenbaert wort, en dat ons daer in wordt verklaert wat men van hem behoort te gevoelen, op dat wy door omwegen niet en souden soecken eenen onsekeren Godt.

% 't Zy dat Godt door Goddelicke aenspraken en gesichten den Vaderen is bekent geworden , 't zy dat hy door de hulp en dienst der menschen liaer in gegeven heeft 't geen sy daer na van handt tot handt hare nakomelinghen souden overgeven : so is nochtans buyten twijfel dats' in hare herten hebben in-gheschreven gehadt een vaste sekerheyt der Leere, soo datse voor vast hielden en verstonden dat dat geen , 't welck sy gheleert hadden, van Godt was voorts ghekomen. Want Godt heeft altijdt ghemaeckt dat sijn Woordt is aengenomen geworden met een ongetwijffelt gheloof, 't welck aller opinien en gissingh te boven gingh. En op dat de waerheydt der Leere met eenen geduyrigen voortgangh door alle eeuwen en tijden in de wereldt overich soude blijven, soo heeft hy ghewilt dat deselve Godthcke woorden en leeringen die hy den Vaders toevertrouwt hadde, gelijck als in openbare en gemeene tafelen verzegelt zijn souden. Om deser oorsaken wille, is de Wet gegeven en afgeroepen , tot dewelcke de Propheten als Uytleggers der selver bygevoeght zijn. Want al hoewel de Wet menigerley ghebruyck gehadt heeft, gelijck te sijner plaets beter gesien sal werden: En Moses en alle de Propheten voornemelick voor hadden den volcke te leeren de wiise der versoeninah tusschen Godt en

de menschen : (Daerom oock Paulus Christum noemt het eynde der Wet) so herhael 1) ick nochtans wederom, dat de Schriftuyr, behalven de Leere die eygentlick het geloof en de bekeeringh raeckt, en Christum den Middelaer voorstelt, den eenighen en waren Godt voor soo veel hy de werelt heeft gheschapen en noch regeert, met sekere mercken en teeckenen verciert, op dat hy met den val-

1) verhael.

schen hoop der Goden niet en soude vermenght worden. En derhalven al hoewel de mensch met ernst sijn ooghen behoort op te heffen en in te spannen tot de bemerekingh van Godes wereken, dewijl hy in dese seer blinckende schouwplaets gestelt is, op dat hy deselve soude aenschouwen: Soo moet hy nochtans sijn ooren openen tot het Woordt, om daer door meerderen voortgangh te doen. En daerom en is 't niet wonder , dat die geen die in duysternisse geboren zijn, meer en meer in haei* onverstant verharden: want daer zijn seer weynige dewelcke haer selven binnen de behoorlicke palen houden , en leersamelick den woorde overgheven, maer sy zijn veel meer vrolick in haer ydelhevt. Dit moet dan aldus genomen en verstaen werden, te weten, dat wy beginnen moeten van de Hemelsche Leere, op dat ons de waerachtige Religie beschijne, en dat niemant selfs de min | ste smaeck van de oprechte en ghesonde Leere kan begrijpen, dan die een Discipel en leer-kint is van de Schriftuer. Uyt de welcke oock voort komt het begin des rechten verstandts, als wy met eerbiedingh omhelsen 't geen Godt aldaer van hem-selven heeft willen ghetuygen. Want uyt de ghehoorsaemheydt tot Godts Woort en wordt niet alleen het volmaeckte of allesins volkomen geloove, maer oock alle oprechte kennisse Godts gheboren. En de Heere heeft ghewisselick door een sonderlinghe voorsienigheyt den menschen van allen tijden in desen deele versorght en voorsien.

3. Want indien wy willen overleggen hoe slibberig 1) 't verstant des menschen sy om te vervallen tot vergetingh Godts, hoe groot des selven genegentheydt zij tot allerley dwalingh, hoe groot sijne begheerte zy om heen en weer nieuwe en valsche Religien te verdichten: soo sullen wij konnen bemercken, hoe gantsch noodigh soodanigen verzegelingh en beschrijvingh der Hemelscher Leere gheweest is, op datse niet en soude of door vergetentheydt verloren gaen, of door dwalingh verydelen, ofte oock door der menschen vermetentheydt verdorven worden. Ghemerckt het dan openbaer is, dat Godt de Heere bij 2) allen den ghenen die hy oyt met vrucht heeft willen onderwijsen, het hulp-middel sijns Woordts ghebruyekt heeft, om dat hy voorsagh dat sijn beeldt, 'twelck in de seer schoone gedaente der werelt in gedruckt is, niet veel krachts en hadde: soo is het oorbaerlick en dienstigh desen rechten wegh in te gaen, indien wy met ernst tot de oprechte aenschouwinghe Godts geestdrift 3) en lust hebben.

Om weioker oorsaken wille de Leere van Godt by ghesohrift ghestelt is.

(p. 15.)

Bewijs, ghenomen, eerstelijck: Van de verkeert heydt onser natnyre, die soodanigh is, dat die gene die Godt ten rechten wil kennen,sich keeren moet tot sijn Woordt.

1) (daer).

aen. 3) drift.

Sluiten