Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 8. 6.

Ten. 3. De mirakelen.

Exod. 24. 18.

Exod. 34. 29.

Exoi. 19. 16.

Exod. 40. 34'.

Num. 16. 32, 33.

Num. 20. 11.

Num 11. 9.

Weder-leggingh van een onheylighe iegeu-werpingh.

bewind en de opperste macht in handen I) hadde, waerom en laet hy ten minsten het recht van 't opperste Priesterdom sijne sonen niet, maer verwerpt deselve tot de laetste en verachtste plaetse? Ick brenghe alleen weynighe stucken by uyt vele: maer in de Wet selfs sullen u doorgaens veel bewijsen ontmoeten , die Mosi volkomen ghetrouwigheydt in 't schrijven bewijsen 2), op dat hy sonder aerseling erkend worde, als te sijn gheweest 3) een Legaet Godts uyt den Hemel neder 4) ghekomen.

5. Nu de soo veel en soo seer voortreffelicke wonderwereken die hy verhaelt, zijn even soo veel verzegelingen en versterekinghen der Wet die van hem ghegheven, en der Leere die van hem voorts gebracht is. Want dat hy door een woleke wech-genomen is op den bergh: dat hy aldaer tot op den veertighsten dagh van 't gheselschap der menschen is afghescheyden gheweest: dat in 't verkondighen der Wet sijn aensicht blonck 5), ghelijck als met stralen der Sonne: dat de blixems allesins lichteden : de donders en kraeckingen door de gheheele locht ghehoordt wierden : dat oock de Trompet en Basuyn met geenen menschelicken mondt 6) geblasen toch 7) basuynde: dat de deur en ingangh des Tabernakels , van weghen een woleke die daer tegen stondt, voor den volcke onsienlick was : dat sijn autoriteyt so wonderlick is verdedight gheweest, door soo eenen schrickelicken ondergangh van Korah, Dathan, Abiram, en de gantsche godtloose facty: dat de steenrotz met sijn roede gheslaghen zijnde, terstont eenen stroom uyt geworpen heeft: dat op sijn ghebedt Man uyt den Hemel ghereghent is; heeft hem Godt niet door alle dese wonderwereken van den Hemel aenbevolen 8) en aengepresen als eenen ontwijRelieken Propheet? Indien yemandt hier teghen voorwerpt, dat ick als bekent en seker daer neder sette 't geen nochtans niet en is buyten alle gheschil, soo is hier op lichtelick t'antwoorden. Want dewijl Moses dit alles in de vergaderinghe der Israëliten verhaeldt heeft, wat gelegentheyt isser doch voor hem geweest om te lieghen by die gene die de geschiedenissen met liaer eygen oogen gesien hadden? Ist wel gelooflick dat hy tot het volck soude ghekomen zijn , 't selve bestraffende van ongeloovigheydt, hertneckigheyt, ondanckbaerheydt en van andere schelm-stucken, en ondertusschen in haer aenschijn geroemt hebben , dat sijn Leere bevestight was gheweest met die

Exod. 16. 7.

]) ghebiedt en ontsach. 2) toe wijsen.

3) buyten verschil werde gehouden als. 4) voorts.

5) blinckede. 6) (op). 7) []. 8) gerecommandeerd

mirakelen diese selfs noyt gesien en hadden ?

6. Want dit is oock aenmerekens weerdigh, so dickwils als hy eenige mirakelen verhaelt , dat hy met eenen hatelicke dinghen daer by voeght, dewelck' het gantsche volck tot weder-spreken konden verwecken indiense oock de minste ghelegentheydt daer toe gehadt hadden. Waer uyt dan blijckt datse bewoghen zijn gheworden om sulcks te bekennen door geen ander oorsaeck, dan om datse meer dan genoegh overtuyght waren door haer' eygen 1) ondervindingh. Voorts dewijl het een al te klaren saeck was, die van de Heydensche Schrijvers selfs niet en konde geloochent werden, te weten, dat Moses won- Keu andere der-wereken ghedaen hadde, soo heeft de vader |eu-werpiughT der leugenen haer een valsche beschuldingh in het hooft gheblasen datse die selve den swarten konsten souden toe-schrijven. Maer Wederlegging, door wat gissingh beschuldighen sy hem doch van tooverije, dewijl hy soo seer afkeerigh is van dese sonde, dat hy ghebiedt doodt te steenighen den ghenen die alleen den toove- Levit. 20. 6. naers en waer-seggers raedt ghevraeght soude hebben ? Gewisselick daer en is gheen bedrieger die met goochelrije omgaet, of hy soeckt de herten des gemeenen volcks te verblinden

om hem-selven eenen naem te maken. Maer

wat doet Moses? Hy roept en betuyght dat hy en sijn broeder Aaron niet met allen en zijn, en alleen uytvoeren den last die Godt hen opgeleydt hadde, en alsoo wischt hy ghenoeghsaem uyt allerley slincksche I) en valsche beschuldigingh. Willen wy nu de saken selve 2) overwegen, wat tooverije en besweeringh heeft doch te weegh konnen brengen , dat het Manna dagelicks uyt den Hemel regenende, genoeghsaem was om het volck te voeden: en dat die geen die daer van meer dan de behoorlicke maet hadde vergadert, uyt des selven verrottingh soude leeren dat sijn ongheloovigheydt van Godt ghestraft wiert? Hier komt noch by dat Godt sijnen knecht door veel ernstige versoeckingen also heeft laten beproeft werden, dat de godtloose nu met haer teghen-sprekinghen geen voordeel en doen. Want hoe heeft hy doch, soo menighmael als het gantsche volck hooghmoedelick en broodt-droncken tegen hem opstondt, en als nu wederom sommige door een onderlinghe conspiratie en t' samensweeringh den

Ileyligen Man Godts pooghden van kant te helpen: hoe heeft hy, segg' ick, hare rasernije door goochelrije ontgaen konnen ? En de uytkomst leert openbaerlick dat sijn Leer' op dese wijse en door dese middelen tot allen tijden en eeuwen is bevestight gheworden.

I 1) ervarentheydt. 2) slinx'. 3) selfs.

Sluiten