Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 14. 19. 20.

het beeldt des Satans, tot het wetcke sy verandert en vervormd 1) zijn, eyghentlick en met reden ghereeckent en ghehouden voor kinderen des Duyvels.

Ten vierden, 19. En ghelijck als wy hierboven wederVan de nature jgyjj hebben die ydel' en beuselachtige Phigeien^Sy1"zijn losophy, waer door geleert wordt, dat de nameiick, van Heylighe Engelen met anders en zijn dan gheesteiicker de ine;evin^en, invallen en vermaningen ,

gil eesten"3 'met die Godt in de herten der menschen verweckt: sin en verstant a|s0 moeten alhier oock ter neder geleydt begaeft- worden die gheen die daer beuselen en voorgheven dat de Duyvelen niet en zijn dan quade passien of beroeringhen, die van ons eyghen vleesch in ons opgheweckt 2) worden. Dit sullen wy kortelick konnen af doen, want van dese saeck zijn veel en oock krachtige getuygemssen in de Schnftuyr. Voor eerst, Matth. 12.43. wanneerse genoemt worden onreyne Geesten loan. 8. 44. en afgevallen Engelen, die van haren eersten 2Udpetr.S 2? 4. oorsprongh afgeweecken zijn , soo drucken die namen ghenoeghsaem uyt, dat de Duyvelen niet en zijn eenige beroeringen of tochten 3) des herten, maer datse meer in der daet zijn het geen zy genoemt worden, te weten, Geesten die ï.ioan. 3.10. met sinnen en verstandt zijn begaeft. Van ghelijcken wanneer de kinderen Godts met de kinderen des duyvels so van Christus als van Ioannes werden vergeleecken, soude t dan niet een ongeschickte verghelijckingh wesen indien de naem Duyvel niet anders en beteeckende ï. Ioan. 3.8. dan quaedt in-vallen? En Joannes voeghter noch yet by dat klaerder is, te weten, Dat iudas vs. 9. de Duyvel sondight van 't begin aen. Als Iudas den Archangel Michaël in-voert strijdende tegen den Duyvel: soo stelt hy gewisselick eenen goeden tegen eenen quaden en afvallighen Enghel. Waer med' over een lob. 1.6. en komt 't gheen in het Boeck lobs gelesen 2- l- wordt, dat de Satan met de H. Engelen voor

Godt verschenen is. En alderklaerst zijn alle die plaetsen in dewelcke ghemeldet wort van de straffen die sy door 't oordeel Godts beginnen te gevoelen, en bysonderlick gevoelen Matth, 8. 29. sullen in den dagh der opstandingh. lesus ghy Sone Godts, wat hebben wy met u \te doen ?] Zijt ghy hier ghekomen om ons te pijnighen Matth.25.4i. voor den tijdt? Item, Gaet wegh van my ghy vervloeckte in't eeuwige vyer, 't welck den 2. Petr. 2. 4. Duyvel ende sijnen Engelen bereydt is. Item , Want indien Godt de Engelen, die gliesondight hebben, niet gespaert en heeft, maer die in de helle gheworpen hebbende overgegeven heeft den ketenen der duysternisse, om tot het oordeel bewaert te worden. Wat een ongeschickt seggen soud het zijn, dat

de Duyvels tot d'eeuwighe verdoemenis zijn bestemt, dat het vyer voor hen bereydt is,

dats' aireede ghepijnight en ghetormenteert worden door Christus heerlickheyt, indien er 1)

gantsch geen Duyvelen en waren ? Maer dewijl over 2) dese saeck niet en behoeft ghedispuleert te worden by de ghene die Godes Woordt geloof geven, en datter by die ydele speculeerders, die in geen als in nieuwe dingen vermaeck en hebben , door de getuygemssen der Schnftuyr niet veel en wordt ghevordert, soo dunckt my, dat ïck mijn will en wensch verkregen hebb , te weten, dat de Godtvruchtige zielen tegen soodanighe sufferijen gewapent zijn, daer mede d onrustige hoofden haer selven en andere die meer eenvoudigh zijn ontrust maken. En het was de moeyte weert dit aen te roeren , op dat niet sommighe menschen, die in dese dwalingh verstrickt zijn , en meynen datse ghenen vyandt en hebben , trager en onvoorsichtigher worden souden om den Duyvel tegen te staen.

20. Ondertusschen en moet het ons niet liet laetstc verdrieten ons selven in deze seer schoone ^ kortelick schouplaets Godtvruchtelick te vermeyen en begrijpende de te ver | maken , door 't aenschouwen v»n de £

seer bekende en klaerblijkelijke o) wercken we]cjjer kennis Godts. Want dit is (ghelijck wy elders ghe- ons leerdt wat seydt hebben) al hoewel niet het voornaemste, ™ n°0*8h ;8e nochtans nae de ordeningh der natuyre het weten.

eerste proef-stuck des geloofs, tegedencken, (P' c1-) dat alle die dinghen die wy met ons ooghen boven en beneden en aller wegen sien en bemercken , Godes wercken zijn , en met eenen door een Godtsaligh' overlegging t'overwegen waer toe en tot wat eynde deselve zijn geschapen. Om dan door een oprecht gheloof t'omhelsen 't gheen ons oorbaeriick is van Godt te weten, soo moeten wy insonderheydt kennis nemen van d'IIistorie der Scheppingh , soo als die van Moses kortelick uytgeleydt, en daer nae van Heylighe Mannen , bysonder van Basilius en Ambrosius overvloedigher verklaert is.

Uyt die History sullen wy leeren, dat Godt door de kracht van sijn Woordt en Geest Hemel en Aerde uyt niet heeft gheschapen: dat hy daer uyt allerley slach van levendige dieren en stoffelijke 4) dingen voort gebracht, dooreen wonderbaerlicke ordre d'ontelbare verscheydenheydt der dinghen onderscheyden, een yeder geslacht sijn eyghen natuyr en aerdt inghegeven, haer ampten verordineert, en hare plaetsen en wooningen toe-ghe-eygent heeft: en al hoewel alle dingen der verderffelickheydt onderworpen zijn , nochtans heeft I versorgt dat een yeder geslacht 5) en soort

1) waert datter. 2) []. 3) ooghschijnelicke.

1) veraerdt. 2) ons inghesteeeken. 3) genegentheden. 1 4) onlevelicke. 5) specy.

Sluiten