Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 15. 2.

Iu 't tweede Boeck, Capittelen 1.2. en 3.

Wat ons dat leerdt dat ons

lichaem uyt slijck gemaeckt en met leven begaeft is

Genes. 2. 7.

De onsterffelickheydt der ziele wordt bevestight. Genes. 2. 7.

desen deckmantel, te weten, indiense kan voorwenden dat al 't gebreck 'twelck sy heeft, eeniger maten van Godt is voortgekomen, en sy en ontsiet sich niet, wanneerse bestraft wordt, met Godt selve te twisten, en de schuldt, daer van sy met recht beschuldight wort, op hem te schuyven. En die met meerder eerbiedigheydt van Godt willen schijnen te spreken, die soecken nochtans geern hare boosheydt te verschoonen door de natuyr, niet bedenckende dats' also (al hoewel bedecktelicker) oock Godt beschuldighen, tot wiens oneer en schande het 1) gedyen soude, somen konde bewijsen dat in de natuyr eenigh feyl is. Dewijl wy dan sien dat het vleesch allerley uytvluchten soeckt, daer door het meent dat de schuit van sijn eygen boosheyt eenighsins op een ander sal konnen gewesen en geleydt worden, soo moetmen dit quaet met vlijt en neerstigheyt' tegen gaen. En dien volgens moet de rampsaligheyt des menschelicken geslachts alsoo verhandelt worden, dat all' uytvlucht af-gesneden en de gerechtigheyt Godts van alle beschuldigingh bevrijdt worde. Daer nae sullen wy te sijner plaets bemercken hoe verre de menschen verscheyden zijn van die suyverheydt daermed Adam begaeft was. En voor eerst moetmen weten, dat hem een toom en ghebit tot inhoudingh 2) van sijn hooveerdigheyt in den mont geleydt zy geweest, daerdoor dat 3) hy van aerd' en slijck geschapen wiert: want daer en is niet ongerijmder dan dat 4) deghene die 5) niet alleen een leemen hutteken bewoonen, maer oock selfs ten deele aerd' en assche zijn , stoffen van haere voortreffelickheyt 6). Doch dewijl Godt sich verweerdight 7) heeft niet alleen dat aerden vat levendigh te maken , maer oock heeft ge wilt dat het soude zijn een wooningh van eenen onsterffelicken geest, so heeft Adam in so groote mildheyt 8) sijns Scheppers met recht mogen roemen.

2. Nu dat de mensch bestaet uyt ziel en lichaem, dat moet zijn buyten alle dispuyt en verschil. Door het woordt Ziel verstae ick een onsterflick, en nochtans een gheschapen wesen, het welcke oock is het edelste deel des menschen, en somtijts genaemt wort met den naem Geest. Want al is't dat dese namen Ziel en Geest, wanneerse by malkanderen ghevoeght worden, in beteeckenis van den anderen verschillen : so geldt nochtans de naem Geest, alsse alleen en op haer selven ghestelt wordt, even soo veel als de naem Ziel. Als by exempel, wanneer Salomo sprekende van

1) []. 2) wedcrhoudingh. 3) doe. 4) (van hare voortreffelickheyt stoffen die gcue). 5) dewelcke. 6) [ ]. 7) geweerdight. 8) liberaelheyt.

de doot, segt, Dat alsdan de Geest wederkeert tot Godt die den selven ghegeven heeft: En als Christus sijnen Geest in de handen des Vaders , en Stephanus sijnen Geest inde handen van Christus beveelt, so en verstaen sy daer door niet anders, dan dat Godt is een gheduyrigh bewaerder van de Ziel, wanneer die uyt den kerc- | ker des lichaems ontbonden is. Maer die sich laten voorstaen dat de ziel een Geest ghenoemt wort, om dats is een blasingh of kracht die van Godt in de lichamen ghestort is, en nochtans oock geen eygen wesen en heeft, die steecken in een groot onverstandt, gelijck de saeck selfs en de gantsche Schriftuyr uyt wijst, 't Is wel waerachtigh, dat de menschen wanneers' al te seer metter herten aen d' aerde kleven, onverstandigh en bot worden, jae, om datse van den Vader der lichten vervreemt zijn, door de duysternis worden verblint, so datse niet en bedencken datse na de doodt overigh en levendigh blijven sullen. Maer evenwel en is ondertusschen dat licht door de duysternisse in haer alsoo niet verdonckert, of sy worden geraeckt en aengedaen met het gevoel van haer' onsterffelickheyt. Gewisselick de conscienty . dewelcke tusschen goet en quaedt onderscheydende, met Godts oordeel over een stemt 1), is een ontwijffelick teecken, dat des menschen geest onsterffelick is. Want hoe soude doch een enckele 2) bewegingh 3) sonder wesen 4), tot de vyerschaer en 't ghericht Godts doordringen, en sich selfs door erkentenisse van sond' en schuit een schrick aen jagen konnen ? Want het lichaem en wordt niet gheraeckt en ontstelt met vreese van eenighe geestelicke straffe, maer die valt alleen in de ziel, waer uyt nootsakelick volght dats' een wesen heeft. Nu, de kennisse selfs van Godt bewijst ghenoeghsaem dat de zielen, die boven de werelt opstijgen, onsterffelick zijn, dewijl een straks 5) verdwijnende kracht tot de fonteyn des levens niet en soude konnen opklimmen. Eyntlick gemerckt soo veel voortreffelicke gaven, daer mede des menschen ziel gestoffeert is, luydt uytroepen datter yets Goddelicks in hem is in-gegraveert, so zijn die even so veel getuygenissen van sijn onsterffelick wesen. Want het ghevoelen, dat d' onredelicke dieren hebben, en gaet niet buyten haer lichaem, of immers 't en streckt sich niet wyder uyt dan tot die dinghen die naeckt voor d'ooghen komen Maer de wackerheydt van des menschen ziel, die den Hemel en d'aerd' en de geheimnissen 6) der nature doorsiet , en wanneers' alle d'eeuwen en tijden

Eccles. 12. 7.

Lucas 28. 46. Actor. 7. 59.

(p. 63.)

1. Door het getuyghuis der consciëntie.

2. Door de kennisse Gods.

3. Door de treffelicke gaven daer mede sy verciert is.

1) draeght. 6) secreten.

2) [ j. 3) (die). 4) (is). 5) [ ].

Sluiten