Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 18. 4.

autwoort.

lesa. 45. 7. Amos 3. 6.

De derde autwoort.

Deut. 19. 5.

Actor. 4. 28.

Waerom de

De tweede mei woont, alles duet wat hy wil. Ick hebb'

oock aireede duydelick ghenoegh betoont dat Godt ghenoemt wordt een Autheur van alle die dingen, die dese Richters en berispers willen, dat alleenlick souden geschieden door sijn ledigh' en onachtsame toelatingh. Hy ghetuyght dat hy het licht en de duysternisse schept, dat hy het goed' en quade maeckt: datter geen ongeluck en geschiet het welck hy niet ghedaen en heeft. Ick bidd' u laetse antwoorden of hy sijn oordeelen uytvoert willens of onwillens. Maer ghelijck Moses leert, dat die, dewelcke door 't vallen van een bijl by gevalle gedoodt wordt, van Godt overghelevert is in de handt des doodtslaghers: alsoo segt oock de gantsche kerek by Lucas, dat Herodes en Pilatus te samen ghespannen zijn , om te doen 't geen de handt en raedt Godts besloten hadde. En gewisselick, indien Christus door den wille Godts niet en ware ghekruyeight, van waer soud' ons dan de verlossingh herkomen? En nochtans en striit Godes wil daerom niet met

"eoJighe'1wille 'iaer selven, sy en wordt oock daerom niet

Gods den men- verandert, Godt en veynst oock niet, gelijck

scheE schijnt a]g 0f njej en wj]de 't, geen hy wil: maer veeldcrlev te . • , ..

weseu. de wil die in Godt eenigh en enckel is, schijnt

ons menigherley te zijn, om dat wy van weghen de swackheyt onses verstandts niet en begrijpen, hoe dat hy een en de selvige saeck op verscheyden wijse wil en niet en wil ghedaen hebben. Als Paulus gheseydt Ephes. 3.2.10. hadde: dat de beroepingh der Heydenen een verholen verborgentheydt was, soo voeght hy datelick daer by, dat de menigerley wijsheyt Godts daer in geopenbaert is geweest. Om dat de wijsheyt Godts van wegen de botheyt onses verstants schijnt veelderley te zijn (of veel ghestaltenissen te hebben , ghelijck d'oude vertaelder dat over-gheset heeft) sullen wy daerom droomen en dichten dat in Godt selfs eenige veranderinge zy, ghelijck

als of hy sijnen raedt veranderde, 01 met hem-selven oneens ware? Jae wanneer wy niet en verstaen hoe Godt ghedaen wil hebben 't heen hy verbiedt te doen, soo laet ons ghedencken aan onse swackheyt, en met eenen overleggen, dat van het licht daer Godt in woont niet sonder oorsaeck geseyt wort dat men daer toe niet gaen en kan, om dat het met donckerheydt omset is. Daerom sullen alle Godtvruchtigh' en zedige herten met dese uytspraeck 1) van Augustinus wel te vreden ziin, te weten, Dat de mensch som-

Een exempel tijts door een goede wil yets wil, 't welck

de voorgaende Godt niet en wil. belijck wanneer een goedt

antwoorden verklareude.

De vierde autwoort.

L.Tim. 6. 16.

Enchirid. ad Laurentium.

cap. 101.

1) dese spreuck.

Soon wil dat sijn Vader sal leven, den welcken Godt wil laten sterven. En dat het wederom geschieden kan, dat de mensch door een boose wille wil even dat selvige, dat Godt wil door eenen goeden wille: gelijck als wanneer een quade Soon wil dat sijn Vader sterve, en Godt dat selfst' oock wil. Soo wil dan d'eerste Soon 't geen Godt niet en wil, en d'ander Soon wil 't selvige dat Godt wil. En nochtans komt de Godtvruchtigheyt des eersten Soons, al ist dat hy wat anders wil dan Godt, meer over een met den goeden wille Godts, dan de godtloosheyt des tweeden Soons, al hoewel hy 't selfste wil dat Godt wil: soo veel isser aen geleghen , wat voor een wille den mensch, en wat voor een wille Gode past en betaemt, en tot wat eynd' een yeders wille gerichtet wordt, op datse of voor goet gekent, of als quaet veroordeelt worde. Want Godt volbrengt sijnen goeden wille door den quaden wille der booser menschen. En een weynigh te voren hadd' hy gheseydt dat d'afvalligh' Enghelen en alle verworpene menschen door haer afwijekingh , voor soo veel hun aengingh, ghedaen hadden teghen Godts will'; maer dats' evenwel, soo | veel d'Almachtigheyt Godts belanght, op geenderley wijse teghen Godts will' hebben konnen doen: om dat van hen de wille Godts gedaen werdt, oock als dan wanneerse doen teghen sijn will'. Daerom roept hy aldus uyt, De wereken des Heeren zijn groot: sy worden gesocht van alle die er lust in hebben. Soo dat het op een wonderbaer' en onuytsprekelicke wijse niet en gheschiedt buyten sijnen wille, 't welck oock teghen sijnen wille ghedaen wort: want het het en soude niet geschieden indien hij 't niet en liet geschieden : en hy en laet het niet onwillens geschieden, maer willens: en de goede Godt en soud' het quade niet laten gheschieden, indien hy als d'Almachtige uyt het quaet niet en konde 't goet voortbrengen.

I. Op dese wijse wort oock d'andere tegenwerpingh beantwoordt, ja sy gaet van selfs te niet. Indien Godt, seggense, niet alleen den dienst der godtloosen gebruyekt, maer oock hare raedtslagen en herts-tochten regeert, soo is hy d'autheur en oorsaeck van alle de schelm-stucken , en dien volghens worden de menschen t'onrecht verdoemt indiense volbrengen 'tgeen Godt besloten heeft, want sy zijn sijnen wille ghehoorsaem. Maer de wille Godts wort verkeerdelick vermenght met sijn ghebodt, dewelcke daer van seer verre verschilt, ghelijck door ontallick' exempelen bekent is. Want alhoewel, doe Absalom sijns vaders wijven besliep, Godt door sulck

Een ander exempel.

(p. 84.)

Psalm 111.2,

De derde tegen-werpingh, dat Godt d'autheur is van

alle schelmstucken, &c.

1. Antwoort, bevestightdoor exempelen ghenomen uyt de Historie Davids.

Sluiten