Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. 2. 17.

Somtij dts oock den godtloosen, in den welcken die gaven niet reyn en bestendigh en blijven voor Godt.

(p. 100.)

Lib. 2. dist.25,

In somma, daer is noch yetwes in des menschen natuyr overigh : inaer dat alles, wat het oock zy, moet der genaden Godts toegheschreven worden.

der menschen d'alderheerlickste zijn, geseydt wordt ons door Godes Geest te worden medegedeelt. En niemant en heelt alhier te vragen, wat voor een ghemeenschap de godtioosen , die van Godt t'eenemael vervreemt zijn, hebben met den Heyligen Geest? Want dat Godes Geest geseydt wort alleen te woonen in de gheloovighe, dat moet verstaen worden van den Geest der heylighmakingh , waer door wy Gode tot tempelen toegeheylight worden. En nochtans desnietteghenstaende vervult, beweeght en sterckt hy alle dingh door de kracht sijns Geestes, en dat naer eens yegelicken gheslachts eyghenschap, die er 1)door de wet der scheppingh voor bepaelt is 2). Indien ons de Heere door den arbeyt en dienst der ongeloovighen heeft willen helpen in de kennisse der natuyrlicker dinghen, in de redeneerkonst 3), in de wis-konsten en in andere van ghelijcken slach, soo laet ons dien gebruycken, op dat wy, indien wy Godes gaven , ons in dese mannen 4) van selfs aengheboden, versuymen , niet gestraft en worden na dat ons' onachtsaemheyt verdient. Maer op dat niemandt en dencke dat de mensch seer rijck en gelucksaligh zy, wanneer hem so een groot vermogen, om de waerheyt in d'eerste beginselen en leer-stucken deser werelt te begrijpen, wort toegeschreven: so moetmen met | eenen dit hier by voeghen, te weten , dat het gheheele vermoghen om de dingen te begrypen en de 5) wetenschap die daer uyt volght, een vergancklick en verdwijnend dingh is voor Godt, wanneer daer gheenen vasten grondt der waerheydt by en is. Want Augustinus (wiens gevoelen , gelijck geseyt is, de Meester der Sententien en de Schoolleeraers hebben moeten onderteeckenen) leert met alle waerheydt dat, gelijck de genadigh' en bovennatuyrlicke gaven den mensch na den val zijn ontnomen, alsoo oock dees over-geblevene natuyrlicke gaven zijn verdorven geworden. Niet dat die door haerselven kunnen worden verontreynight, voor so veel alsse van Godt afkomstigh zijn : maer om datse den onreynen mensch onreyn zijn geworden, soo dat hy daer uyt geenen lof en verkrijght.

17. Dit zy de somma van alles: dat in het gantsche menschelicke geslacht gesien wordt, dat de reden een eygendom is van onse natuyr , dewelck ons onderscheydet van de domme beesten, gelijck als die door haer gevoel van all' onbewuste 6) dingen verschil len. Want al ist dat sommige menschen dwaes of bót geboren worden, so en wort nochtans

1) hem. 2) is toe-ghe-evgent. 3) konst der reden cavelingh. 4) in hen-lieden. 5) die geheele kracht om te verstaenj en die. 6) onlevelieke.

door dat gebreck d'algemeene ghenade Godts niet verduystert : ja wy worden veel meer door bemercking hiervan 1) vermaent dat het overigh in ons met recht aen 2) Godes genade moet toegeschreven worden : want indien hy ons niet en liadde gespaert, soo soude den afval met sich gesleept hebben den ondergangh van de gantsche natuyr. En dat sommige door hare scherpsinnigheydt uytsteken boven andere, sommige door haer kloeck oordeel uytmunten, sommige wederom een wackerder verstandt hebben om dees' of die konst te leeren, door 3) dese verscheydenheydt bindt 4) ons Godt sijn genade op 't herte 5)

op dat niemandt 6) als ware t 7) sijn eyghen goedt aen sich selve toeschrijve 8) 't gheen uyt Godes loutere mildigheyt is voortgevloeyt. Want van waer komt het dat d'een d'Uerstereden, heerlicker is als d'ander, anders dan op dat de bysondere genade Godts in de gemeene natuyr soud' ontdeckt worden , dewelcke veel menschen voor by gaende, roept en betuygt datse aen niemanden is verbonden. Doet hier noch by dat Godt den mensch bysondere geestesbeweginghen instort 9) na gelegentheyt van eens yeders beroepingh. Waer van ons De tweede veel exempelen voorkomen in 't Boeck der red|°emijelen Rechteren , alwaer gheseyd wordt dat de Geest indic. 6. 34. des Heeren die heeft vaerdig ghemaeckt 10),

die hy riep om het volck te regeeren. Somma , in all' uytnemende daden is een bysonder' ingevingh. Alsoo zijn Saul na gevolght ï.Sam. 10. o. die stercke mannen welckers herten Godt gheraeckt hadde. En als hem sijn opnemingh en inhuldigingh tot het Koninckrijck voorseydt wierdt, soo sprack Samuel aldus: Ende de Gheest des Heeren sal veerdigh worden over u, ende ghy sult met hen propheteeren , ende ghy sult in eenen anderen man verandert worden. En dit streckt sich uyt tot den geheelen loop 11) der regering: gelijck als daer na vertelt wort van David, dat de Geest des i.Sam.16.13. Heeren veerdigh wert over David, van dien dagh af ende voortaen. Maer dit selvige wordt in een andere plaets gheleert oock aengaende bysondere aendrijvinghen 12). Ja by Homerus Odyss 18,137. wort geseydt dat de menschen wijs en verstandigh zijn niet alleen nae dat Jupiter een yeder uytdeelt, maer oock na dat hy haer dagelicks dryft 13). En voorwaer, dewijl dick- De derderewils bedwelmt en versuft blijven staen die ghe- denne dewelcke de verstandighst' en scherpsinnighste waren, so betoont ons d'ervaringh dat de verstanden der menschen zijn in

1) van dien. 2) []. 3) in. 4) recommandeert. 5) []. 6) (sich selven). 7) []. 8) aen en trecke. 9) roeringen ingeeft. 10) aengcdaen 11) cours. 12) roeringen. 13) beweeght.

Sluiten