Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. 5. 10.

Siet cap. 2. sect. 27.

Item, c.ipp. 7. en 8. sect. 2 3.

Den tweeden hoop der bewijs-redenen voor de vryenwille , ghenomen uyt de beloften Godts. Amos. 5. 14, 15.

Iesai. 1. 19.

lerem. 4. 1. Deuter. 28. 1. Levit. 26. 3.

2. Godts beloften zijn te vergeefs, waer med' hy ons, wanneer wy hem soecken, weldaden belooft, indien 'fc in onse macht niet en isdeselve te bevestighen of te niet te makeu.

Antwo ordt, dewclcke betoont het ghebruyck van dese beloften omtrent de Godtsalige en godtloose, en de tegenstrijdighevt die de teghenpartven verdicht hebben, vereen i glit.

tijdts sijnen toorn te kennen gheeft. Nademael dan het volck met menigerley jammer en swarigheydt geplaeght zijnde, klaeghde dat Godt van hen afgekeert was: soo antwoort hy dat hen sijne goedertierenheydt niet en sal ontbreecken , indien sy tot oprechtigheydt des levens, en tot Godt, die het Patroon der gherechtigheydt is , weder keeren. Soo wordt dan dese spreuck verkeerdelick verdraeyt, wanneerse daer toe gebogen wordt, datse soude schijnen het werck der bekeeringh tusschen Godt en den menscnen te deelen. Dit hebben wy daerom slechts 1) met weyr.igher woorden doorgheloopen , om dat dit argument sijn eyghen plaets sal hebben in de verhandelingh van de Wet.

10. De tweede rije van haer argumenten komt met de voorgaende seer nae over een. Sy brengen voort de beloften door dewelcke Godt een 2) verbondt maeckt met onsen wille: als daer zijn dese: Soecket het goede, ende niet het boose, op dat ghy levet: Indien ghy-lieden willigh zijt, ende hoort, soo sult ghy het goede deses landts eten. Maer indien ghy weygert, ende wederspannigh zijt, soo sult ghy van het sweerdt gegeten worden, want de mondt des Heeren heeft \ket] ghesproken. Item, Indien ghy uwe grouwelen wech doet van voor mijn aengesicht, soo en sult ghy niet uyt-ghedreven worden : is 't dat ghy hoort de stemme des Heeren uwes Godts, en doet en houdt alle sijne geboden , soo sal u de Heere hooger maken dan alle volckeren op den aerdtbodem. En dierghelijcke meer. Sy meenen dat de weldaden die de Heer' in sijne beloften aenbiet, ongeschicktelick en by weghe van spotterny aen 3) onsen wille aen 4) bevolen worden, indien het aen ons niet en staet de selvigh' of te bevestigen of te vernietigen. En 't is voorwaer licht dese saeck met dusdanighe schoonschijnende klaegh-woorden te vergrooten: Dat wy, namelick, wreedelick van den Heere bespot worden, wanneer hy verklaert dat sijne goedertierenheydt hanght aen onsen wille, bijaldien 5) wy den wille selfs niet in onse machtj en hebben. Item, Dat dit een fraeye mildigheydt Godes sal zijn, indien hy ons sijne weldaden alsoo voorsteldt, dat wy gantsch geen vermoghen en hebben om deselve te gebruycken. Item, Dat het een seltsame sekerbeydt der beloften wesen sal, dewelck' aen een onmoghelicke saeck vast zijn om noyt vervult te worden. Van soodanighe beloften by dewelck' een condity ghevoeght is sullen wy elders spreken : soo dat het opentlick blijcken sal, dat in der

!)[]■ 2) []. 3) []. 4> []. 5) is 't dat.

selver onmogelicke vervullmgh gheen ongerijmtheydt met allen en zy. Aengaende desen tegenwoordigen handel. ick'ontkenn' dat Godt ons wreedelick bespot, wanneer hy ons vermaent dat wy ons selven sijner weldaden weerdigh maken sullen, al is 't dat hy weet dat wy tot sulcks t'eenemael onvermoghende zijn. Want dewijl de beloften beyde den gheloovighen en godtloosen voor-ghestelt worden, soo hebbense by beyden haer gebruyck en nuttighevdt. Gelijck als Godt door sijne gheboden de conscientien der godtloosen prickelt, op datse sich niet al te soetehck in de sond' en souden verlustighen, sonder eens aen sijn oordeel te gedencken. Also gheeft hy in sijne beloften oock eenighsins te kennen hoe seer sy sijner vriendelickheydt onweerdigh zijn. Want wié isser die niet en moet bekennen dat het seer billick en betaemlick is, dat de Heere dien wel doet van dewelck' hy gedient wordt: en dat hy daerentegen tegen de verachters van sijne Majesteyt, nae 1) eysch van sijne strengigheyt, wraeck oeffent? Wanneer dan de Heere in sijne beloften den godtloosen , die door de boeyen der sonde vast geketent zijn , dese Wet en condity voorschrijft datse sijne zegeninghen als dan eerst ghenieten sullen , wanneerse sich van hare boosheydt sullen ghescheyden hebben, soo handelt hy gherechtehck en met ordre: oock 2) alwaer 't slechts 3) om dees' oorsaeck, op datse, namentlick , souden verstaen en weten datse met recht uytghesloten worden van die goederen die Godes oprechte dienaren toe-behooren. Wederom, dewijl hy de geioovighe door allerley manieren soeckt op te wecken om sijne ghenade af te smeecken 4), soo en sal het niet ongevoeghhck zijn, dat hy even dat selfste, 't welck hy met groote vrucht aen haer gedaen heeft door de gheboden, ghelijck ick ghetoont hebb', oock beproeve te doen door de beloften. Als wy door de geboden van den wille Godts worden onderricht, soo worden wy vermaent van onse rampsaligheydt, door dien wy alsoo seer met gheheel ons 5) herten van Godes will' afkeerigh zijn: wy worden oock te gelijck aengeprickelt 6) om sijnen Gheest in te roepen 4) op dat wy door hem op den 7) rechten wegh gebracht mochten werden. Maer om dat onse traegheydt niet genoegh ghestuyt 8) en wort door de geboden, soo wordender beloften by ghevoeght, dewelcke door eenighe soetigheydt ons souden aenlocken om deselve geboden lief te krijgen: En met 9) hoe 10) grooter begeert en liefde tot de ghe-

1) (ver). 2) []. 3) schoon alleen. 4) te versoecken. 5) gheheeldcr. 6) aengeport. 7) ten. 8) opgeschort 9) []. 10) (dat wy met een).

Sluiten