Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. 8. 11.

ons worden verboden onder den naem van doodtslagh, soo verstaen wy beter in hoe grooten vervloeckingh sy zijn by Godt, door wiens stemm' en woordt sy gestelt worden bij het soort 1) van soo een schrickelick schelm-stuck. En door dit 2) sijn oordeel bewoghen zijnde, leeren wy selven te beter oordeelen over het swaer ghewicht van 3) sonden, die ons te voren licht dochten te wesen. De derJe 1 <|. Ten derden staet ons op 4) te 5) r^heWan de merc^en wacr toe de Wet Godts in twee vcrdeeiingeder tafelen wordt af-ghedeelt, van devvelcke niet Wet ia twee te vergheefs soo dickwils en ghewoonlick ghewach ghemaeckt wordt, gehjck als alle verVaD deweie- standighe sullen oordeelen. De oorsaeck hier \ ked eerste de jg g0Q geer ^ ijancJt datse gheen

, Godtvruchtig- . • v 1 1 , ■ u ui"

heydt jeghena twijliel by ons in dit stuck laet overigh blijGodt, end'an- ven# Want Godt heeft sijn Wet intweedeetoTdeu'naelten 'en, waer in de geheele gerechtigheydt ververvat. vat wordt, alsoo verdeelt, dat hy het eerste (p. 141.) deel voor de plichten der Religy, die | bysonderlick behooren tot den dienst van sijne Majesteyt, en het andere deel voor de wercken der liefde die den naesten betreffen verordineert en bestemt heeft. Het eerste fondament der gerechtigheyt is voorwaer de dienst Godts: als dese verdorven is, soo zijn alle de verdere deelen der gerechtigheydt verscheurt en verstroyt, gelijck als de stucken van een af-ghebroken en vervallen ghebo'uw.

De noodige Want voor hoedanighen rechtveerdigheydt sult

delickétsamen- 8hY d°ch dit houden dat §hY de menschen

voegiughe van niet en quelt met stelen en rooven, so 6) dese tweetafe- g^y ondertusschen door een schandelicke heylighschennis 7) Godes Majesteyt van sijn eer berooft? dat ghy u lichaem met hoerery niet en besmet, so 8) ghy met u lasteren ontheylight den seer Heylighen Naem Godes ? dat ghy den mensch niet en vermoort, indien ghy nochtans arbeyt om de gedachtenisse Godts te dooden en uyt teblusschen? Daerom roemt men te vergeefs van rechtveerdigheydt als men geen Religy en heeft-: en dat 9) met even soo veel schijns als of men een lichaem sonder hooft te pronck en ten toon stelde. De Religy en is oock niet alleen het voornaemste deel, maer oock de ziele der gerechtigheydt, door dewelcke sy t' eenemael levendigh en tierende \ 0) is. Want sonder de vreese Godts en onderhouden oock de menschen onder malkanderen de gherechtigheydt en liefde niet. Wy noemen dan den dienst Godts, het beginsel en fondament der gerechtigheydt: om dat sonder dien dienst, alle gerechtigheyt, kuysheydt en matigheydt die

1) onder 'trot. 2) []. 3) van de ghewichtigheydt der. 4) []. 5) (be-). 6) is 't dat. 7) Kerck-roof. 8) is't dat.

9) []. 10) jeughdig.

de menschen onderlingh plegen , ydel en nie-

tieh is voor Godt. Wy seggen dats' is de Ue geduyn„ O . . J ."P . ,, , ge ordre.

fonteyn en geest der gherechtigheydt, om dat

de menschen dan eerst onder elckander 1)

matighlick en sonder quaedt doen leeren leven ,

wanneerse Godt als een Rechter van recht en onrecht eeren en vreesen. Hy onderwijst ons iiih^tkorten dan door d'eerste tafel tot de Godtvruchtigheydt en tot de plichten die der Religy eygen zijn , door dewelcke sijn Majesteyt gedient en ge-eert moet worden. Door de andere schrijft hy ons voor hoe dat wy uyt vreese van sijnen naem ons moeten ghedragen in het onderlingh verkeer 2) der menschen. Daerom heeft onse Heere (ghelijck d' Euangelisten verhalen) de gantsche Wet saemghevoeght 3) in twee hooftstucken : Ghy sult den Heere uwen Godt lief Matth.22.37. hebben uyt geheel uw' herte ende uyt geheel Lucasl°- 2 • uwe ziele, ende uyt geheel uwe kracht, ende uyt gheheel uw' verstandt: ende uwen Naesten als u selven. Hier siet ghy hoe dat hy uyt de twee deelen daer in hy de gantsche Wet besluyt, het eene richtet op 4) Godt,

en het andere den menschen toe-schickt.

\% Maer al hoewel de gantsche Wet in def^7ntifn twee deelen begrepen is: soo heeft nochtans woorden of geonsen Godt, om alle decksel van onschult bodenwech te nemen, breeder en klaerder met tien geboden willen verhalen soo die dinghen die tot sijn eer, vrees' en liefde behooren, als die saken die de liefde betreffen, die hy ons bevolen heeft aen de menschen te bewijsen om sijnen 't wille. Oock wordt niet qualick nader ondersocht, om te gheraken tot insicht in de verdeelinge deser geboden selven 5):

als wy maer onthouden dat dit een saeck is van sulcken slach waer in een yeder sijn oordeel vry moet hebben, en om welckers wille men niet heftig en moet twisten tegen den genen die anders gevoelt. Wy moeten voorwaer dit poinct nootsakelick aenroeren , op dat de Lesers die verdeelingh, die wy stellen sullen, niet als nieuw en onlangs bedacht, uyt en lacchen of verwonderen. Dat de Wet in tien geboden onderscheyden is, dat is buyten twijffel en geschil, dewijl dat het door Godts authoriteyt self dickmael betuyght is. Daerom en valter geen twijffel of verschil van het getal der geboden, maer alleen van de wijs'

harer verdeelingh. Die de verdeelingh alsoo Dewelcke maken datse d'eerste tafel drie geboden geven, ^

en de verdere seven schuyven en brenghen migh' onderin de tweede, die schrappen het ghebodt scheyden worvan de Réelden uyt het ghetal der gheboden,

1) als dan met den anderen. 2) in 't gheselschap. 3) vergadert. 4) tot. B) Den arbeyt en wort oock niet qualick aengeleyt die besteel wordt om kennis te hebber, van de verdeelinge der geboden.

Sluiten