Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. 16 12.

Hebr. 5. 7.

Psalm 22. 2. Matth. 27.46.

Beantwoordiagh van eeu tegcnwerpingh tegen de voorseyde bevestigingh.

Vide Syrill. Lib. 2. de recta fideadReginas.

Lib. 2. 24. en 3. 15. de Trinit.

Hy en noemt niet alleen de doodt: maer hy verklaert dat de Sone Godts die pijnen en benauwtheden uytghestaen heeft die uyt Godes vloeck en gramschap ontstaen: en een oorsprongh des doodts zijn. Want hoe weynigh soud' et om 't lijf gehadt hebben, indien hy gherustelick en ghelijck als by spel sich aengheboden had \) om sich den doodt t'onderwerpen? Maer dit is een waerachtigh proefstuck en bewijs geweest van sijne seer groote barmhertigheyt, dat hy den doodt niet en weygerde voor dewelck hy soo seer verschnckt was. Daer en is oock niet aen te twijffelen of d'Apostel heeft in den Brief tot den Hebreen even dit selfste willen leeren, wanneer hy schrijft: Dat Christus verhoort is gheweest uyt sijne vreese. (Andere setten voor het woordt vreese: Eerbiedigheyt of Godtsaligheyt, doch seer onbequamelick, ghelijck de sake selfs, en de manier van spreken uytwijst.) So wordt dan Christus biddende met tranen en sterck roepen uyt sijn vreese verhoort: niet om van de doodt vrij te zijn, maer op dat hy niet als een sondaer daer van verslonden en werde: want hy droegh daer in ons eygen persoon. En daer en kan voorwaer gheen grouwelicker afgrondt bedacht worden, dan te gevoelen dat ghy van Godt verlaten en vervreemt zijt: en niet te worden verhoort wanneer ghy tot hem roept; als of hy selfs voorgenomen hadd' u te verderven. Wy sien dat Christus soo verre verworpen is gheweest dat hy door de dringend' en persende benauwtheyt gedwongen wierd' uyt te roepen, Mijn Godt, mijn Godt, waerom hebt ghy my veriaten? Want dat sommige «eggen : Dat hy alsoo gesproken en geroepen heeft meer nae de meningh van andere menschen als nae sijn eygen ghevoelen, dat en heeft geen schijn met allen: dewijl bekendt en openbaar is dat die stemm' is gekomen uyt de binnenste benauwtheyt sijner ziel. En nochtans en seggen wy niet dat Godt op hem ooyt vyandelick gesint of toornig ay geweest. Want hoe soud' hy doch vevgramt worden op sijnen wei-geliefden Soon in den welcken sijn hert een wel-ghevallen heeft? Of hoe soude Christus door sijn voor-biddingh sijnen Vader met andere bevredighen kunnen, indien hy self hem tot eenen vyandt ghehadt hadde. Doch dit segghen wy dat hij gedragen heeft de swaerte van Godes strengigheydt: dewijl hy door de handt Godes gheslagen en ghedruckt zijnde, alle de teeckenen des vergramden en straffenden Godts gevoelt heeft. Daerom segt Hilarius dat wy door dese sijne nederdalingh dit verkreghen

1) door jock voort gekomen waer.

hebben, dat de doodt ghedoodet is. En in andere plaetsen stemt hy oock met ons gevoelen: gehjck wanneer hy seyt: HetKruys, de Doot, en de Helle zijn ons leven. Item elders: De Sone Godts is in der Hellen: maer de mensch wort opgenomen ten Hemel. Doch 1) waer toe breng' ick by 't getuyghnis van een gemeen Leeraer, dewijl d'Apostel even dit selfste betuyght, %) halende dit als een vrucht der overwinninghe van Christus aen 3), dat daer door verlost zijn, die ghene die met vreese des doodts door al \Jiaer] leven der dienstbaerheydt onderworpen waren. Soo heeft hy dan moeten overwinnen de vreese dewelck' alle menschen van naturen voortduyrend 4) perst en benauwt; 't welck niet dan door strijden en konde te weegh ghebracht worden. En dat dese bedrucktheydt van Christus niet geringh en was, noch uyt een ghering' oorsaeck voort en quam , dat sal terstont klaerder blijcken. Aldus met de macht des Duyvels, met de vreese des Doodts, met de smerten der Hellen handt aen handt kampende, is het gbeschiedt dat hy over liaer victory behaelt heeft en ghetriumpheert, op dat wy in de doot niet meer en souden vree- | sen die dingen die onse Vorst en Aenvoerder 5) verslonden heeft.

\ 2. Hier tegen roepen sommige guyten 6), dewelck' al hoewels' ongheleerdt • zijn, nochtans meer door boosheydt dan door onwetenheyt gedreven worden , dat ick Christus grootelicks verongelijcke: dewijl het, seggense, Christus niet en betaemde dat hy voor de saligheyt sijner ziele soude bevreest zijn. Daer beneffens verswarense dese valsche beschuldiging!): Dat ick , namehck , den Sone Godts desperaty en wanhoop toeschrijf, dewelcke regel-recht tegen 't geloof strijdt. Voor eerst makense ter quader trouwen verschil en questy van de vrees' en verschrickingh van Christus, dewijl die door d'Euangelisten soo opentlick verkondight is. Want eer den tijdt sijns doots naeckte, soo wierdt hy beroert van geest en met droefheydt gheraeckt: en in den strijdt selfs begond' hy swaerlicker beanghst en verschnckt te worden. Seggense dat dit gheveynst werck is geweest, sulcks is een al te schandelicke laster. Soo moet men dan vrymoedelick (gelijck Ambrosius met waerheyt leert) de droefheyt van Christus belijden , indien wy immers ons voor 7) sijn kruys niet en schamen. En om de waerheyt te segghen, soo sijn ziel gheen part en deel ghehadt hadd' aen de straffe, soo soud' hy alleen een verlosser

Hebr. 2. 11.

De vrucht der nederdalinghe van Christus.

(p 202.)

Een au der tegen-werpingh, dat aen Christus onrecht geschiedt, en wauhoop toegeschreven wordt, ist dat wy segghen dat hy ghevreest heeft.

Antwoordt, uyt d'Euangelisten blijckt dat Christus waerlicks ghevreest heeft, in den Ghee8t beroert 3 verschrickt, en in alles versocht is geweest ghelijck wy: maer nochtans sonder sonde.

1) En. 2) (ver-). 3) [ ].

i 6) boeven. 7) van.

4) geduyrigb. 5) Capiteyn.

Sluiten