Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. 16. 19.

Rom.8. 33,34.

Siet Ambros. lib. 1. de Iac. cap. 6.

loau. 5. 22.

Tiet derde deel des Cap. verklarende wat men van d'Apo8toli.*che Artijckelen des Gheloofs glievoelen moet.

(p. 206.)

Den korten inhoudt der selver.

schermen? Want indien d'Apostel durft uytroepen en segghen, dat niemandt aldaer en kan te voorschijn komen om te verdoemen, daer Christus de Voorbidder is, soo is 't veel meer waer dat Christus de Voorbidder self niet en sal verdoemen de ghene die hy onder sijn trouw' en opsicht ontfangen heeft. Dit en is voorwaer geen kleyne gerustigheydt dat \vy voor gheen andere vyerschaer en sullen ghestelt worden , dan voor de vyerschaer onses Verlossers, van den welcken wy de saligheydt te verwachten hebben: dat hy daer beneffens ghelijck hy 1) nu door het Euangelium d'eeuwige gelucksaligheydt belooft, als dan door sijn oordeel die belofte vast en bondigh sal maken. Soo heeft dan de Vader sijnen Sone tot desen eynde ver-eert, hem all' het oordeel op-draghende, op dat hy alsoo de conscientien van sijne kinderen, die door de vreese des oordeels verschrickt zijn, ten besten soude versorghen.

Tot noch toe hebb' ick ghevolght d'ordre van d'Apostolische artijckelen des geloofs: Want dewijl die met weynighe woorden de Hooft-stucken der Verlossingh verhandelen so kunnen die ons dienen in de plaets van, een tafereel, waer in wy onderscheydentlick en op haer selven kunnen aenschouwen die dinghen die in Christus aenmerckens weerdigh zijn. Ick noem' de selvighe artijckelen Apostolisch, sonder nochtans ondertusschen my te bekommeren over 2) den opsteller 3) der selve. Sy worden voorwaer door een groot accoort van d'Oude Schrijvers den Apostelen toe-ge-eyghent, 't zy om datse meenden dat die van d'Apostelen in 't gemeen beschreven en in 't licht ghebracht waren ,'t zy om datse dit kort begrijp uyt de Leere die d'Apostelen gheleerdt hebben ter goeder trouwen vergadert zijnde, met sulck een lof-tytel hebben willen bevestighen. Wat my belanght ick en twijffele daer aen niet, of dese artijckelen hebben terstont van den eersten oorsprongh der Kerck, en oversulcks | van de tijden der Apostelen af inganghe gekreghen 4), als een belijdenis die openbaer en van allen met een-stemmigheydt aenghenomen is, of schoon men 5) niet juist 6) en weet van wien die in den beginne zijn voort gekomen, 't Is oock waerschijnlick dat die van eenen alleen int bysonder niet en zijn beschreven, overmits het openbaer en bekent is dats' van de uyterste en hooghste geheughnis af by alle Godtsalige zijn geweest in een seer heyligh aensien en eerweerdigheydt. Het geen wy boven al en als alleen moeten behertighen,

dat hebben wy ghestelt buyten alle verschil, te weten, dat daer in de gantsche beschrijvingh onses gheloofs kortelick en met een onderscheyden en bescheyden ordre verhaeldt wordt, en datse niet met allen vervatten, het welck met vaste getuyghnissen der Schrifture niet en zy verzegelt. Als wy dit verstaen soo en behoeft men aengaende den Autheur en opsteller van dien niet anghstelick bekommert te zijn, of met yemanden te twisten, 't en zy dan dat mogelick yemandt sich daer mede niet en laet ghenoegen dat hy van de waerheyt des Heyligen Geestes versekert is, als hy met eenen niet en weet door wiens mondt die waerheydt uyt-gesproken, of door wiens handt die beschreven is.

19. Dewijl wij dan sien dat de gantsche hooft-somm' en alle de deelen onser saligheydt in Christus begrepen zijn, soo moeten wy toesien dat wy oock het minste deel daer van niet op yemandt anders overdraghen 1). So men de saligheyt soeckt, wy worden selfs door den naem Jesus gheleert datse by hem is. Indien wy allerley andere gaven des Geestes begeeren, die sullen in sijne salvinge gevonden worden: indien men sterckte soeckt, die is in sijn Heerschappy: soecken wy suyverheyt, die vinden wy in syn ontfanckenis: wilmen goedertierenheydt, die vertoont sich in sijne gheboorte, waer door hy ons in allen gelijck gheworden is, op dat hy soude leeren mede-lijden hebben: wilmen verlossingh, ghy vindts' in sijn lijden : of vry-sprekingh, in sijn veroordeelingh : of quijtscheldingh van den vloeck, ghy vindts' in sijn Kruys: of genoeghdoeningh, in sijn offerhande: wilmen suyveringh, keert u tot sijn bloedt: of versoeningh, keert u tot sijn nederdalingh ter hellen: of doodingh des vleesches, gaet tot sijn graf: soeckt ghy nieuwigheydt des levens, siet op sijn opsta«dingh: of onsterffehckheydt, slaet u oogen op deselve : wilt ghy d'erffenis des Hemelschen Koninckrijcks, die wort gevonden in sijn Hemelvaert: of bescherming, of gerustigheyt, of overvloet en rijckdom van allerley goederen, die vind ghy in sijn Rijck, of een geruste verwachtingh des oordeels, in de macht die hem ghegeven is om te oordeelen. In somma, dewijl in hem zijn de schatten van allerley goederen , soo laet dan dese 2) van daer gehaelt worden en niet van elders: Want die, met hem alleen niet te vreden zijnde, herwaerts en ginswaerts drijven en hier op en daer op hopen, al is 't datse voornemelick op hem sien, soo en houdense nochtans

Het laetste deel, of het besluyt des gantsehen eapittels, 'twelek betoont datde saligheyt deruytverkurenen Godts en yeder deel der saligheydt in Christus zy begrepen.

Aotor. 4. 12. 1. Cor. 1. 30. Htbr. 2. 17. Galat. 3. 13.

1) die als. 2) met. 3) insteller. 4) plaets gliegrepen. 5) (men al). 6) []. 7) en.

1) aen ycmaiidt niet over en setten. 2) die selvige.

Sluiten