Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. 3. 14.

heyt des vleesches teghen dewelcke de goede geest begeert, een sonde, om dat in haer is ongehoorsaemheydt tegen de heerschappy des gheestes: en een straffe der sonde, want sy is een loon en vergeldingh voor de quade verdiensten en wercken des ongehoorsamen: en een oorsake der sonde van wegen het afwxjcken des genen die daer in bewillight, of van wegen de besmettingh des genen die daer mede geboren wordt. Hier noemt hy sonder eenige twijffelachtigheyt de begeerlickheydt des vleesches sonde: want gemerckt hy de dwalingh aireede ter neder-gheleyt, en de waerheydt bevestight hadde, soo en vreesd hy de valsche beschuldiginghen sijner wederpartijen soo seer niet. Gelijck oock in het een-en-veertighste Sermoen op Joannes, alwaer hy uyt het besef 1) sijns herten sonder twist of strijdt aldus spreeckt: Indien ghy met den vleesche de Wet der sonde dient, Rom. 6. 12. soo doet het geen de Apostel selfs seght, En laet de sonde gheen heerschappy voeren in uw' sterffelick lichaem, om hare lusten gehoorsaem te zijn. Hy en seght niet, en laet de sonde niet zijn : maer laetse niet heerschen. Soo langh als ghy leeft, moet de sonde zijn in uwe leden: maar doet ten minsten soo veel dat ghy haer de heerschappy ontneemt, en niet en volbrenght het geen sy Teghen-wer- ghebiedt. Die verdedigen willen dat de bepingh uyt het »eerljckheYt geen sond' en is, die pleghen facobos? VaU tegen te werpen 't geen Jacobus seydt: Als iacob. i. 15. (Je begeerlickheydt ontfangen heeft, soo baert Antwoordt, sy sonde. Maer dit wordt sonder eenighe moeyte wederleydt: want indien wy t soo niet en verstaen dat hy alleen spreeckt van de quade wercken of van de werkelicke sonden: soo en sal oock de boose wille selfs voor gheen sonde ghereeckent worden. Ende daer uyt dat hy de schelm-stucken en boose wercken vruchten der begheerlickheydt noemt, en den selvighen de naem sonde toe-eygent, en volght niet terstondt dat de begeerlickheyt niet en zy een quaedt dingh en verdoemelick voor Godt.

Een andere 1 4. Sommighe Weder-doopers van desen

dTi-Weder-doo- lijdt hebben 2) !ck en weet niet W3t V00r een

perèaenLiber- uytsinnigheydt in de plaetse van de gheestelicke tynen, tegen de weder-gheboorle uytghedacht 3) te weten, boeSig- Dat ('e kinderen Gods die in den staet der heydt der kin- onnooselheyt herstelt zijn , nu niet en moeten diteieÜ°nit8 ^ bekommert zijn om de lusten des vleesches te bedwinghen : maer datmen de leydinge des Gheestes volgen moet, onder wiens beleydt en drijvingh men nimmermeer van den rechten wech af en dwaeldt. Het soud' onghe-

1) gevoelen. 2) veraieven.3) [ ].

looflick zijn dat het verstandt des menschen tot sulcken uytsinnigheydt vervalt, indiense dit haer leerstuck niet opentlick en trotslick uyt en snaterden, 't Is voorwaer wel een seldtsaem' en ongheschickte leeringh: maer 't is recht en billick dat sy 1) straffe dragen van weghen hare godtloose stoutigheydt die 2) voorgenomen hebhen Godts waerheydt in leughen te veranderen. Sal dan aldus all onderschevt tusschen eerbaerheyt en on-eerbaerheydt, recht en onrecht, goedt en quaedt, deugt en on- ^

deugt, wech genomen worden? Sulck een d*Jr"°orde ' onderscheyt, seggens', is uyt de vervloecking schrickeiicke des ouden Adams, van dewelcke wy door godloosheydt

. .. 1 o i 1 j van soaanighe

Christus zijn verlost. Soo en salder dan nu mon8ters ontgheen onderscheydt zijn tusschen hoerery en deckt wordt, kuyscheydt, oprechtigheyt en bedrogh, waerheydt en leughen, rechtveerdigheyt en roovery. Neemt, seggense, d'ydele vreese wech :

de Geest en sal u niets quaedts gebieden,

soo ghy maer u selven gerustelick en onbeschroomt aen 3) sijn beleydt en werckingh over gheeft. Wie en soude van weghen sulck een seldtsaem' ongheschicktheyt niet verbaest staen! 't Is nochtans een gemeene wijsheydt by de ghene die door de uytsinnigheyt der

boose lusten verblindt zijnde, t gemeen gnevoelen en verstandt verloren hebben. Maer Ben tweed' ick bidd' u wat voor eenen Christus smeden ^ghetijmt" sy ons, en hoedanigen Geest braken sy doch heden die dese uvt? Want wy erkennen eenen Christus, en teghenwerpmg sijnen eenigen Geest, den welcken de Propheten gheleert hebben, den welcken het Euangelium verkondight dat hy gheopenbaert is gheweest, van den welcken wy in dese Schrifturen nooyt iets derghelijcks 4) en hooren of vernemen. Die Gheest en is geen voorstander van doodtslagh , hoerery , dronckenschap, hooveerdigheyt, twist, gierigheyt en bedrogh : maer een Werckmeester en oorsaeck van liefde, kuysheyt, soberheydt, zedigheydt,

vrede, matigheydt, en waerheydt. Hy en is geenen tuymel-geest, en die holder den bolder plotseling 5) door recht en onrecht henen 6) onvoorsichtelick daer in valt:

maer vol van wijsheydt en verstandt, waer door hy behoorlick tusschen gherechtigheydt en ongherechtigheyt onderscheyt maeckt. Hy en verweckt niet tot een loss' en onghebondene vryheydt: maer gelijck hy 't geoorlofde van 't ongeoorlofd' onderscheydet, alsoo leert hy oock reghel en maet houden, het quade vlieden en het goede doen- Maer waer toe souden wy langer arbeyden om dese beestelicke verwoedtheyt te weder-leggen ? De

1) sulck een. 1) (gene, dewelcke). 3) [].

4) het sulcks aldaer niet. 5) (hol over bol) 6) []•

Sluiten