Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. 4. 24. 25.

Besluyt des gautschen handels tegen dese

versonnen biecht, wiens oorsprongh, tyranny, laster, heylighschennis en menigerley ongoddeliekheydt alhier wordt afgheschildert.

De dwalinghen en leugenen van de voldoening, die de Sophisten de derde plaets geven in de penitenty.

Lib. 4. sent. dist. 10. cap. 4. cap. non suflicit; de Pont. c. med. eadem dist.; C. nullus ead. dist.

haren offerhanden toeschrijven een recht om te halveeren en in tween te klooven 't geen ons Godt al-omme in 't gheheel en ten vollen belooft heeft. Want dewijl hy alleenlick boetveerdigheydt en gheloof vereyscht, soo is dese kloovingh of verdeelinghe 1) t'eenemael heylighschennend 2i) en grouwelick. Want het gheldt even soo veel als of de Priester, de persoon eens Overheers of Hooftmans vertoonende 3), Gode tegenstont en niet en wilde lijden dat Godt door sijn loutere mildtdadigheydt yemand tot genaden opnemen soude, dan alleen den ghenen die voor deses Overheers voetbanck gheleghen heeft en aldaer ghestraft is geworden.

2i4-. De gantsche hooft-somma loopt hier op uyt. Indiense Godt willen maken tot een Autheur van dese versonnen 4) biecht, soo wordt haer ydelheydt gheopenbaert: ghelijck ick betoont hebbe datse vervalschers zijn in die weynighe plaetsen die sy by brengen. En dewijl het openbaer is dat de biecht' een Wet is van menschen in ghesteldt, soo seggh' ick datse daer beneffens is een tyrannische Wet, en ghemaeckt en ghegheven tot verkortinghe Godts, dewelcke de conscientien aen sijn Woordt verbindt, en wil dat die van de heerschappy der menschen vry zijn sullen. Nu, wanneer dat ghene't welck Godt heeft willen vrylaten, voor-gesteldt wort als noodtsakelick om de vergevinge der sonden te verknjghen, soo seggh' ick dat sulcks een onverdraghelicke heylighschennis 5) is. Want daer en is niet dat Gode meer eyghen is als de sonden te vergeven, waer in onse saligheydt is ghelegen. Boven dien hebb' ick aenghetoont 6) dat dese tyranny eerst inghevoert is gheweest, doe de werelt door een schandelick' ongeleertheyt onderdruckt was. Daer beneffens hebb' ick doen sien 7) dat het is een pestilentiale Wet die d'arme zielen in wanhoop van boven neder werpt, waer gheen vreese Godts en is: of de selvige noch botter en stomper maeckt, waer sorghloosheyt is die met ydele behagelicklieydt en smekinghen streelt en verlockt. Eyndtlick hebb' ick uyteengheset 8) dat alle de versachtingh die sy by brenghen nerghens anders toe en dient dan om de suyvere Leere te verwarren, te verduysteren en te verderven , en hare godtloosheden met valsche verwen te bedecken.

25. In de derde plaetse der penitenty stellense de Yoldoeningh, maer alles wat sy daer van snappen, dat kan met een woordt wederleydt worden. Sy segghen dat het ghenoegh en is dat die ghene die penitenty

1) uytuemiugh. 2) kerck-roovisch. 3) dragende. 4) versierde. 5) Kerck-roof. C) betoont. 7) geleert. 8) verklaert.

doet, van sijne vorige sonden hem-selven onthoudt, en sijn leven betert, 't en zv dat hy oock met eenen Gode voldoe van weghen de sonden die bedreven zijn. En datter veel hulp-middelen zijn, door dewelcke men de sonden kan afkoopen: te weten tranen, vasten , offerhanden, en wercken der liefde: datmen daer mede den Heere versoenen, de schulden van Godes gerechtigheydt betalen, de sonden verghelden, en de verghevingh verdienen moet. Want al hoewel hy de schuldt vergheven heeft door den overvloedt van sijne barmhertigheyt, dat hy nochtans de straffe houdt door de disciplijn en oefïeningh van sijne rechtveerdigheyt. En dat dit de straffe zy die door voldoeninghen afghekocht moet worden. Nochtans komt dit alles tot dit kort begrijp, te weten: Dat wy wel van Godes goedertierentheydt de verghevingh onser misdaden ontfanghen, maer dat dit gheschiedt door het tusschenkomen van de verdienst onser wercken, door dewelcke de straffe der sonden gheboet, en alsoo de schuldighe voldoeningh van Godts gerechtigheyt betaelt moet worden. Tegen sulcke leugenen steil' ick d'onverdiende vergevinge der sonden, dewelcke so klaer als eenigh dingh in de Schriftuyr verkondight wordt. Voor eerst wat is vergevingh anders dan een gheschenck van Godts loutere mildtdadigheydt? Want niet 1) die Schuldt-Heer en wort 2) geseyt quijt te schelden die u door sijn handtschrift betuyght dat hem de penningen toegetelt zijn: maer hy 3) die van selfs sonder eenige betalingh door sijn goedt-dadigheyt de naem sijns schuldenaers uytwischt. Daer beneffens waerom wordt daer by ghevoeght, om 3) niet of onverdient, 't en zy dan om alle waen en meening van voldoeningh wech te nemen? Met wat vermetentheyt rechten sy dan noch op hare voldoeninghen, die | door sulcken stereken donderslagh ter ne'er ghevelt worden? En wat sullen wy seggen? wanneer de Heere door Jesaia roept: Ick, Ick ben het, die uwe overtredingen uytdelght, om mijnent wille: ende ick en gedencke uwer sonden niet: betuyght hy daer mede niet opentlick, dat hy de oorsaeck en het fondament der vergeving alleen van sijn goedtheyt neemt? Daer beneffens als de gantsche Schriftuyr van Christus ghetuyghnis gheeft dat de verghevinghe der sonden door sijnen naem ontfangen moet worden , sluyt hy dan niet ail' andere namen daer buyten? Hoe leerense dan dat de selvighe door den naem der voldoeninghe verkreghen wordt? Laet hen niet segghen datse dit den

1) []• 2) (niet). 3) []. 4) uyt.

Hier teghen wordt gesteldfc dat woordt,

1. Verghevinghe,

Ieaai. 52. 3. Rom. 5. 8. Coloss. 2. 14. Tit. 3. 5.

2. Onverdient.

(p. 257.)

3. Godt uytwisschende de ongerechtigheden.

Iesai. 43. 25.

4. Door en om Christus. Actor. 10. 43.

Sluiten