Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III 4. 32.

3. Van de liefde bedeckende de sonden.

4. Van de barmhertigheyt versoe-

nende de on-

gherechtig-

heydt.

5. Van de

aelraoe8en die

alles reyn maken.

6. Van veel

sonden de sondaresse vergheven, om datse veel lief gehadt hadde.

2.Sam.cap. 12.

vss. 13, 14.

Dan. 4. 24. Prov. 10. 12. en 16. 6. 1. Petr. 4. 8. Lncas 7. 47. (p. 260.)

Om dese tegen-werpingh te beantwoorden, so worden eenige dinghen voor af verklaert van het tweederley oordeel Godts.

1. Der Wrake.

2. Der Kastijdinge.

die uyt overspel gheteelt en ghewonnen was. Waer mede wy gheleerdt worden , soodanige straffen, die oock nae de vergevinge der schuldt mochten op-geleydt worden, door voldoeninge af te koopen. Want Daniël vermaende den Nebucadnezar dat hy sijne sonden door aelmoesen 1) afkoopen soude. En Salomo schrijft dat d'ongerechtigheden om der gherechtigheydts en Godtvruchheyts wille vergeven worden. Elders oock: Dat de veelheydt der sonden door de liefde bedeckt wordt. Welcke spreuck oock door 2) Petrus wordt bevestight. Insgelijcks seght oock de Heere by Lucas van de Sondaresse , dat haer vele sonden vergheven zijn , om datse veel en seer heeft lief ghehadt. Hoe verkeerdelick en verdraeyt oordeelense altijdt van de wercken Godts! maer indiense waergenomen hadden ('t welck niet en hadde moeten over 't hooft gesien worden) dat daer twee- | derley oordeel Godts is, soo soudense in dese kastijdinghe Davids een heel andere ghedaente van straffe ghesien hebben, dan die gheoordeelt moet worden tot wraeck te strecken. En dewijl ons alle te samen hier aen veel ghelegen is, dat wy verstaen waer toe de kastijdingen Godts dienen, daer mede hy onse sonden te huys soeckt: en hoe veel die verschillen van de exemplaire straffen daer door hy de godtloose en verworpene met verbolghentheydt vervolght: soo en sal het, mijns bedunckens , niet onprofijtelick zijn, sulcks met weynige woorden nae te ghaen 3) en aen te wijsen. Laet ons (om des leerens will') het eene oordeel noemen een oordeel der wraeck : en het ander' een oordeel der kastijdingh. Voorts moet men verstaen dat Godt door het oordeel der wrake sijne vyanden alsoo straft, dat hy sijn gramschap teghen haer bewijst, dat hy haer beschaemt, verstroyt, enteniet maeckt. Dit sal dan eyghentlick Godts wrake zijn , wanneer de straffe met sijne verbolghentheydt te samen ghevoeght is. Door het oordeel der kastijdingh en is hy niet alsoo hevigh dat hy soude toornigh worden: hy en straft oock daer door niet, op dat liy verderven of doodt blixemen soude. Daerom en is het oordeel der kastijdingh eyghentlick gheen straffe of wrake, maer het is een bestraffingh en vermaningh. Het eene oordeel behoort tot het ampt eens Rechters, het andere is de plicht eens Vaders. Want als de Rechter eenen boosdoender straft, soo straft hy de boosheydt, en hy neemt straffe van het schelm-stuck selfs. Als een vader sijne sone wat strenghelick kastijdt, soo en doet hy dat niet om

1) aelmissen. 2) van. 3) t'overloofcn.

wraeck en straffe te oeffenen, maer veel meer om sijnen soon te onderwijsen en voor het toekomende voorsichtigher te maecken. Chrysostomus ghebrayckt ergens een gelijckenis die een weynigh anders luydt, en nochtans hier mede over een komt. Een soon, seght hy, wordt gheslagen: en een dienst-knecht wordt gheslaghen : Maer dese wordt ghestraft als een slaef om dat hy misdaen heeft: en die ander wordt ghekastijdt als een vry man en als een soon die disciplijn en tucht noodigh 1) heeft. Den sone gedyet de berispingh tot beproevingh en verbeteringh, den dienstknecht tot geesselen en straffen.

32. Op dat wy 't geheele stuck kortelick en klaer verstaen mogen, soo zy van twee distinctien of onderscheydinghen dit de eerste. Soo waer straffe is tot wraeck , daer vertoont sich Godts vloeck en gramschap, dewelcke hy van den geloovigen altijdt afweert. Daer en tegen is de kastijdingh een zegen Godts, en sy heeft getuyghnis van sijne liefde, gelijck de Schriftuyr leerdt. Dit onderscheydt wordt al-omme door Godes Woordt ghenoegh aengeteeckent. Want de verdruckingen die de godtloose dragen in dit tegenwoordige leven worden ons afgheschildert als een voorhof der Hellen , van waer sy hare gewisse verdoemenis aireede van verre aenschouwen. En 't is soo wijdt daer af datse daer door verbetert souden worden, of eenighe vrucht verkrijghen, datse veel meer door soodanighe voorspelen bereydt worden tot de afgrijselicke Helle, die haer eyntlick sal ontfanghen en in-nemen. Maer als de Heere kastijdt, soo kastijdt hy sijne Dienaers, doch hy en gheeft haer niet over tot de doodt. Daerom wanneerse met sijn roede geslagen zijn, soo bekennense dat hen-heden sulcks goedt is gheweest tot een oprecht onderwijs voor haer. Ende ghelijck wy over al lesen dat de Heylige soodanighe straffen met een getroost "gemoet hebben opgenomen, also hebbense die andere boven-genoemde straffen altijdt heftelick van hen door bidden soecken af te keeren. Kastijdt my, Heere, seght Ieremia, doch met mate: niet in uwen toorn, op dat ghy my niet te niete en maket. Stort uwe grimmigheyt uyt over de Heydenen, die u niet en kennen, ende over de gheslachten, die uwen Name niet aenroepen. David seght oock: O Heere, en straft my niet in uwen toorn, ende en kastijdt my niet in uwe grimmigheydt. Hier tegen en doet niet dat de Heere dickmael wordt gheseydt op sijn Heylighe vergramt te zijn, wanneer hy hare sonden te huys soeckt. Gelijck by lesaia: lek sal u Heere belijden,

1) van doen.

Uyt bemerckingh van die beyde wordt tweederley onderscheyt voort ghebracht, van dewelcke 'teerste den toorn Godts (wesende de straffe tot wraeck) aenwijst: waer teghen ghesteldt wort de kastijdingh, die een ghetnyghnis is van sijn Vaderlicke liefde, het welck met veel

Schriftnyrplaetsen bevestight wordt, lob 5. 17. Prov. 3. 11. Hebr. 12. 5. Psalm 118.18. en 119. 71.

Ierem. 10. 24.

Psalm 6. 2. en 38. 2.

Tegen-werpingh, Godt is dickwils op sijn Uy t verkoren e vergramt.

Iesa 12. 1.

Sluiten