Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. 6. 2.

t' Samenknoopinge van ditCapittelmet de Leere van de Weder-geboorte.

De noodtsakelickheydtdcr Leere van het

leven eens Christcns.

De kortigheyt van desen handel, dewelcke nochtans schijnt seer volkomen te zijn.

Eenen ghereeden wegh daer toe.

gheboort', te weten , dat in liet leven der gheloovigen werde ghesien een gelijck-matigheydt en over-een-komingh tusschen Godes gherechtigheydt en hare ghehoorsaemheyt: op

dats' alsoo bevestigen souden d'aennemingh, waer door sy tot sijne kinderen zijn ontfangen. En al hoewel die vernieuwingh door dewelcke het Beeldt Godls in ons weder opgerecht wordt, in sijn Wet begrepen en vervat is, dewijl nochtans onse traegheydt veel prickels en hulp-middelen van doen heeft, soo sal het vorderlick zijn dat ick uyt verscheyden plaetsen der Schriftuyr versamele een wijs' en manier om het leven wel te schicken en aen te stellen, op dat die gene die de bekeeringh ter herten nemen, in haer voornemen en vlytigheydt van den rech'ten wegh niet af en dwalen. Voorts terwijl ick op my neem' om aen 1) het leven van een Christen-mensch sijn schicking en wijse van zijn voor te teeckenen 2) soo en is my niet onbekent dat ick een werck aen gae , daer in menigherley en overvloedigh stoff en arbeydt steeckt, en het welck van weghen sijne grootheyt een dick boeck souden konnen vervullen, soomen dat in alle sijne deelen volkomelick af doen wilde. Want wy sien in hoe grooten lanckheyt de leeringhen der Ouden die alleen over ééne 3) deught te samen gesteldt zijn, uytghebreydt worden. Ende dat niet door al te veel spraecks en woorden. Want wat voor een deught datmen oock soude mogen voornemen met een Oraty of aenspraeck aen te prijsen, so wort d'aenspraeck en reden van selfs door d'overvloedigheyt der matery of stoffe tot sulcken wijdt-streckelickheydt ghebracht, dat ghy niet en schijnt daer van nae behooren geredencavelt te hebben, het en zy dat ghy veel woorden gemaeckt hebt. Myn opset en is niet d'onderwijsingh des levens, dewelck'ick als nu wil voor-stellen, soo verr' en wijdt uyt te strecken, dat ick elcke deught in t bysonder verhandelen, en dien aengaende met vermaningen en opweckingen ruym en breet omspringhen 4) soude. Laet dit ghenomen en ghehaelt worden uyt de schriften van andere, maer bysonderlick uyt de Sermoenen van d'Oude Leeraers. 't Sal my ghenoegh zijn wanneer ick eenen gereeden wegh sal aengewesen hebben, langs den welcken een Godtvruchtigh Man gevoert en gheleydt mach worden tot het rechte wit en ooghmerck om sijn leven wel te schicken en aen te legghen, en als ick eenen algemeenen regel kortelick sal hebben beschreven, nae den welcken hy sijn plichten en wercken bequamehck kan

1) [ ]. 2) schick en fatsoen te geven. 3) van eene.

4) spaceeren. '

voeghen en afmeten. De lange redenen en aenspraken sullen mogelick oock by my later eens aen de beurt komen 1): of ick sal dat werck, daar toe ick niet seer bequaem en ben, over laten aen andere. Van naturen

beminn' ick de kortigheydt der reden: en soo ick met meerder vloedt van woorden wilde spreken, 't en soude misschien niet wel ghelucken. Ofschoon my een langhsame wijse van onderwijsen aldermeest aen stondt, soo en soud' het my nochtans nauwlicks lusten sulcks te beproeven. De gelegentheyt van het tegenwoordighe werck vereyscht oock dat ick een eenvoudighe Leere met soo grooten kortigheydt als. het moghelick sal zijn, vervatt' en af handele. En ghelijck de Philosophen hebben sekere mercken en eynden der gherechtigheydt en eerbaerheyt, waer uyt syde bysondere goede plichten en den geheelen trein der deughden trecken en afleyden 2): alsoo en heeft oock de Schriftuyr in desen gheen ghebreck van goed' ordemngh: ja sy houdt het alderschoonste beleydt, en een beleydt dat veel sekerder gaet dan al het beleydt der Philosophen. Dit onderscheydt isser alleen dat sy-lieden als eer-gierige menschen, met alle neerstigheydt stonden nae een uytghelesene klaerheyt der ordeningh, om daer door de gaeuwigheydt hares verstandts te betoonen: maer dewijl de Geest Godts sonder ydel eer-soecking leerde, soo en heeft hy niet soo naeuw noch altijt d'ordentlicke wijse van leeren onderhouden. Dewijl hy nochtans deselve somtijdts ghebruyckt, soo geeft hy genoeghsaern te verstaen dat die van ons niet en moet veracht of veronachtsaemt worden.

2l. Dees' onderwijsingh der Schriftuyre, van dewelcke wy spreken, is voornemelick geleghen in twee stucken. 't Eerst is, dat de liefde tot de gherechtigheyt daer toe wy andersins van naturen geensins en zijn genegen, in onse herten in-gedrupt en in-gevoert worde : 't ander' j is, dat ons een reghel voor-gheschreven zy, die ons in de loop-baen der gherechtigheyt niet en late dwalen. Belangend' het eerste, de Schriftuyr heeft seer veel' en seer goede redenen dienstigh om

ons de gherechtigheyt aen te prijsen, van dewelcke wy niet weynigh hier 3) boven in verscheyden plaetsen hebben aengeteeckent, en alhier noch sommighe kortelick sullen aenroeren. Van wat grondt-reden soude de Schriftuyr doch beter konnen beginnen als van dese, te weten, dat sy ons vermaendt dat wy heyligh moeten worden, om dat onse

1) eens met my haer benrt en tijdt hebben. 2) beleyden.

3) []•

De Heylighe Schriftuyr heeft in't fatsoeneren der zeden een treffelick beleydt. dat niet gheblancket, maer oprecht en eenvoudigh is.

D'algemeene deelen van dit beleytzijn twee in't ghetal.

(p. 271.)

'tTweede deel wordt verhandelt Cap. 7.

Des eersten deels tweederley aenprijsing.

D'eerst' is genomen vau onse heyligh-makingh.

Eerstel ick om dat onse Godt heyligh is.

Sluiten