Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. 11. 10.

ons een versoen-offer geworden is , het welck hy niet en konde zijn na sijn Goddelicke natuyr. Daerom is t oock dat Christus, als hy de gerechtigheyt en saligheyt die hy ons toe-ghebracht heeft, wil verzeghelen , ons daer van een seker pandt voorsteldt in sijn vleesch.

3. in-reden. Hy noemt heni-selven wel het Broot des levens:

maer hy verklaert oock hoe en op wat wijse , Antwoordt, segghende: Dat sijn Vleesch waerlijck spijs is, en sijn Bloedt waerlijck dranck. Dese wijse van leeren wordt ten vollen gesien in de Sacramenten : dewelck' al hoewel sy ons gheloof richten en stieren tot den gheheelen en niet tot den halven Christus, nochtans te ghelijck leeren dat de matery en stoffe der rechtveerdighevdt en saligheyt in sijn vleesch ghelegen is. Niet dat de bloote mensch van sich selven rechtveerdight of levendigh maeckt, maer om dat het Gode behaeght heeft, die dinghen die in hem verborgen en onbegrijpelick waren, in den Persoon des Middelaers t'openbaren. Daerom pleegh ick te segghen dat Christus ons is als een opene Fonteyn, daer uytwy kunnen putten 'tgheen andersins sonder vrucht soude schuylen in die diepe en verborghene wei-ader, dewelck' in den Persoon des Midde-

4. in reden, laers tot ons uytborrelt. Op dese wijs' en

nae desen sin en loochen' ick niet dat ChrisAntwoordt. tug ^ g00 a|g js Godt en mensch ons rechtveerdigt, dat dit werck oock den Vader en den Heyligen Geest gemeen is , en eyndlick , dat de rechtveerdigheydt die 1) ons Christus deelachtigh maeckt, is d'eeuwighe rechtveerdigheydt des eeuwighen Godts, als hy maer de vaste en klare redenen die ick hebbe by ghebracht staen laet 2).

in hoedani- ^ o Op dat hy voorts d'on-ervarene door t: gheseydt' sÜne listen niet en bedriege, soo bekenn' ick wordt onse ge- dat wy van dit soo onvergelijckelick goet der rechtigheydt te rechtveerdigheydt berooft blijven tot dat Christus ons eyghen wordt. Derhalven soo wordt die t'samen-voegingh des hoofts en der ledematen , het wonen van Christus in onse herten , en eyndelick de geestelicke vereenigingh van ons ghesteldt op den hooghsten trap: op dat Christus ons eyghendom gheworden zijnde , ons deelachtigh make der gaven daer med' hy begaeft is. Wy en bemercken dan Christus niet verre buyten ons, op dat sijne rechtveerdigheyt ons toe-ghereeckent worde: maer om dat wy hem aentrecken, en in sijn lichaem inghelijft zijn, en hy eyndelick ons gheweerdight heeft ons 3) met sich-selven een te maken: daerom roemen wy dat wy ghemeenschap der gerechtigheyt met hem hebben. Aldus wordt Osianders lasteringh

wederleyt, daer med' hy seydt dat wy 't geloof voor 1) de gherechtigheydt self houden 2):

even als of wy Christus van sijn recht beroofden, wanneer wy segghen dat wy met het gheloof ontbloot 3) en ledigh tot hem toe gaen, om plaets voor 4) sijn ghenade 5) te maken , op dat hy alleen ons vervullen soude.

Maer Osiander verwerpt dese eheestelicke }J- Hewös-

•• reden

t'samen-voegingh, en drijft een grove vermenginge van Christus met de geloovige: en daerom noemt hy hatehck Swinglianen, en aile de ghene die sijn uytsinnighe dwalingh van de essentiëele 6) gerechtigheyt niet en onderteeckenen: om datse niet en gevoelen dat Christus wesentlick of lichamelick ghegheten wordt. Wat my belanght, ick houd et Antwoordt, voor de hooghste eer dat ick dit smaet-woordt hoor' van een opgeblasen mensch en die tot sijn eygen goochelry over-gegeven is. Hoewel hy 7) niet alleen my en doorstrijkt 8), maer oock die Schrijvers die der werelt genoegh bekent zijn, en die van hem zedighlick hadden behooren ge eert te worden. Doch 't en raeckt my niet, als dewelcke mijn eygen saeck alhier niet en verhandele, en met dese saeck oock t'oprechtelicker omgae , dewijl ick vry ben van alle boose ghenegentheydt. Dat Een ander« hy derhalven de wesentlicke rechtveerdigheydt ' W001 en de wesentlick' inwooninge van Christus in ons soo ongeschicktelick afvordert, dat dient hier toe, voor eerst, op dat Godt sich-selven door een grove vermengingh in ons overstorte,

even ghelijck het toe gaet met het vleeschelicke eten in 't Nachtmael 't welck Osiander verdicht; ten anderen, op dat hy sijne rechtveerdigheydt ons in blasé, waer door wy wesentlick met hem mochten rechtveerdigh zijn: dewijl nae sijn ghevoelen dese rechtveerdigheyt so wel Godt self is, als de goetheyt, of heyligheyt, of oprechtigheydt Godts.

Ick en sal niet veel moeyte doen om de ghe- 12- Bewij«tuyghnissen die hy voort brenght te weder- re en' legghen , dewelck' hy verkeerdelick van het Hemelsche leven verdraeyt tot den teghenwoordighen standt. Door Christus, seght Pe- 2. Petr. i. i. trus , zijn ons de grootste en dierbare beloften geschoncken, op dat ghy door deselve der Goddelicker nature deelachtigh soudt worden.

Even eens als of wy nu soodanighe waren Antwoordt, als het Euangelium belooft dat wy wesen sullen in de laetste toekomst van Christus:

Jae Joannes leert: Dat wy alsdan Godt sullen l. ioan. 3. 2. sien ghelijck hy is, want wy sullen hem ghelijck wesen. Ick hebbe den Lesers alleen een kleyne smaeck willen gheven en betuyghen dat ick met opset dese beuselinghen

1) houden te zijn. 2) []. 3) ydel. 4) []. 5) (plaets)* 6) wesentlicke. 7) (en strijckt). 8) [].

Sluiten