Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. 14. 10 11.

Dese hoewel bevorderen. Maer als wy ooek schoon door dLgedesHeyl de leydinge des Heylighen Geestes in de ligiien Gceates weghen des Heeren wandelen, opdat wy

den rechten nochtans ons selven verghetende, niet en wegh wande- . i i V ï

ieUj souden groots en opgheblasen worden, soo

blijven in ons nog eenighe overblijfselen der

onvolmaecktheydt om ons oorsaeck te gheven

1. Reg. 8. 46. tot ootmoedigheydt en vernederingh. Daer en

is niet een recbtveerdige, seydt de Schrif-

tuyr, die goet doet ende niet en sondight.

Zoo is noch- \yat Voor een gerechtigheydt sullen sy dan dat8 sy' voort a's noch uYt hare wercken verkrijghen? Ick brenghen, door segghe ten eersten dat het alder-beste 't welck

d'onreymgheyt van [,aer £-|iecjaen en voort ghebracht kan des vleesches •• •

teviecktenver- worden , nochtans altijt door eenigh' onsuyverdorven. heydt des vleesches besprenght en verdorven , en ghelijck als met wat droessems vermenght is. Laet, segg' ick, een heylig dienstknecht Godts uyt sijn gantsch leven uitkiesen het alder-uytnemenste werek 't welk hy in den loop sijns levens sal meenen ghedaen te hebben , laet hem alle de deelen daer van heen en weer wel over-leggen: Hy sal sonder twijffel erghens bevinden yets dat na de verdorventheyt des vleesches smaken sal, want onse wackerheyt en veerdigheyt om goet te doen en is nimmermeer soodanigh alsse behoort te wesen, maer daer is in ons veel swackheyts waer door den loop in 't goede verachtert wordt. En hoewel wy sien dat de smetten daer mede de wercken der Heyligen besprenght worden , niet kleyn noch duyster en zijn, onderstel 1) nochtans eens 2) dat hare wercken maer seer weynig zijn bevleckt:

Bysouder Maer seght my, sullen die den ooghen Godts wanneerse ko- njet qUa|jck bevallen, voor dewelcke de Ster-

men voor den » ' .. . „r . .

Richterstoel ren selrs niet reyn en zijnr Wy sien derGodts. halven datter niet een werek van de Heylige

voort en komt, 't welck niet en verdient met schande beloont te worden , indien 't in sich selven aengemerekt en geweerdeert wordt.

Daer benef- /]0. Daer beneffens ofschoon het gheschie-

feus is oock 1 1 i i , ■ i i

eene eenighe den konde, dat wy eenighe gantsch suyvere misdaedt ghe- en volmaeckte wercken hadden, so soude "ghedachteuis6 noc-ltans één sonde genoegh zijn om alle de der voorleden gedachtenis van onse vorige gerechtigheydt rechtveerdig- uyt te wisschen en uyt te doen, ghelijck de wisscheu.'1 k Propheet spreeckt. Waermede Jacobus oock Ezech. 18.24. over een stemt, als hy seght: Soo wie in lacob. 2. io. clingh overtreedt, die is in allen schuldigh gheworden. Dewijl nu dit sterffelick leven nooyt reyn of ledigh en is van sonde, soo en soude de gantsche gerechtigheyt die wy mochten verkregen hebben, als door de steedts aen een volghende sonden verdorven, onderdruckt, en verloren zijnde, voor Godts aen-

schijn niet komen, noch ons tot rechtveerdigheyt toe-gereeckent worden. Eyndelick wanneermen handelt van de rechtveerdigheydt der wercken, so moet het gebodt, en niet het werek der Wet worden aehgesien.

Indien men derhalven de rechtveerdigheyt soeckt uyt de Wet, soo sullen wy te vergeefs een werek of twee te voorschijn brengen : maer de aenhoudende 1) gehoorsaemheyt der Wet is ons daer toe van nooden. | (p 3U-) Soo en wordt ons dan de verghevinghe der sonden, van dewelcke wy ghesproken hebben , niet eenmael (ghelijck veel menschen sottelick meenen) van Gode tot rechtveerdigheydt toegereeckent, op dat wy verghevinghe van ons vorigh' leven verkreghen hebbende , daer nae de rechtveerdigheyt in de Wet soecken souden: want alsoo souden wy tot een valsche hoop' gebracht, en niet anders dan bedroghen en bespot wórden. Want nadien ons gheen volmaecktheydt en kan geworden , soo langh als wy met dit vleesch bekleedt zijn, na dien oock de Wet de doodt en verdoemenisse verkondight allen dien die gheen volkomen gherechtigheydt door hare wercken en sullen volbracht hebben: so sal de Wet altijdt stoff' hebben om ons te beschuldigen en te verdoemen, indien Godts barmhertigheydt haer niet leghen en gingh,

en ons door een geduyrige quytscheldinge der sonden nu en dan van haer oordeel niet vry en verklaerde. Derhalven blijft dit 't welck Daerom en wy in 't eerste gheseydt hebben , altijdt vast 'ZT'Zflö en seker. Indien wy na onse weerdigheydt wercken gheseweerdeert worden, dat wv niet teaenstaend' «chtveerdight

worden

alles wat wy oock souden mogen bedencken of beginnen, nochtans met all' onse wercken en betrachtinghen de doodt en verdoemenisse weerdigh zijn.

11. Op dese twee dinehen moeten wy Ue voor-ghe-

1 1 ■ . , i i. noemde twee

vast staen en aendnngen , te weten . datter reaeuen korte-

geen werek eens Godtsaligen t'eeniger tijdt lick verhaeidt

en zv eheweest 't welck niet verdoemelick ^julle.800wort J .. . ï i de derde daer

en soude zijn , indien het door Godes strengh by ghevoeght

oordeel wierdt beproeft en ondersocht. Boven- tegen deSophis-

dien 2) ofschoon er sulck een werek mochte ^ aVs'chTirt

ghetoont worden, ('t welck gheen mensch klaeriick ghe-

doen en kan) dat nochtans dat werek door 'uyghj' hoe"'el , j 1 j , i ir 1 de weder-gebo-

de sonden, waermede de wereker selr sonder rene veel goede

twijllel bevangen is, gheschonden en veront- wercken heb-

reynight wordt, en alle sijn' aenghenaemheydt infaiL™

verliest. En dit is den voornaemsten grondt door het ghe-

daer in desen gantschen handel bestaet. Want loof ende toe-

tusschen ons en de verstandighste School- der gherechtïg-

leeraers en is geenen strijt, aengaende het heydt van

beginsel der rechtveerdighmakingh, dewijl wy ^htveerflgt

zijn.

1) neemt het. 2) soo.

1) geduyrige. 2) desen.

Sluiten