Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. 15. 3.

onderhouden gheweest, datse nimmermeer, wanneer de noodt sulcks niet en vereyschte, voorgenomen hadden te gebruycken eenighe woorden dewelcke van de Schriftuyr vreemt zijn, en veel erghernis, maer seer weynigh Welck wooit vruchts maken en voort breneben. Want,

fjpn wprrkpn

quaiick toe-ge- ick bidd' u, wat noodt was er doch om het

eygent is. woort Verdienst in te voeren, dewijl de prijs en weerdigheyt der goeder wercken bescheydelick en sonder erghernis door een ander woordt konde verklaert en aenghewesen worden? En hoe grooten ergernis en aenstoot dit woort Verdienst in sich begrijpt, dat blijckt uyt die groote schade die daer door in de werelt ontstaen is. Voorwaer ghelijck het een seer hooveerdigh woort is, also en deugt het nergens toe anders dan om Godts genade te verduysteren , en den mensch met een boose grootsheydt te vervullen. Ick bekenn' dat d Oude Schrijvers der Kercke dit woort al-omm' gebruyekt hebben, en och of sy door het misbruyck van een woordeken, den nakomelingen geen stof verleent en hadNoehtans den tot dwalingh en misverstant! Hoewel sy

Godtvrachti-n 00c^ se'k 'n sommige plaetsen betuygen, gen sin, vol- datse daer door de waerheyt niet en hebben ghens 't ghe- Willen verkorten. Want Augustinus spreeckt Augusti'nu™" ergens aldus: Laet de menschelicke VerdienDe Prsedest. sten die door Adam verloren zijn, alhier swijghen en verstommen , en laet de Ghenade inPsaim.139. Godts heerschen 1) door Christus. Item: De Heylighe en schrijven hare verdiensten niet met allen toe: sy sullen, ö Godt, alle dingh uwer barmhertigheydt alleen toeschrijven. En iu Psalm. 88. in een ander plaets : En als de mensch ge-

sien sai hebben, dat hy al het goedt t welck hy heeft, niet en heeft van sich selven, maer van sijnen Godt, soo siet hy dat al het geen' dat in hem ghepresen wordt, niet voort en komt van sijne verdiensten, maer van de barmhertigheydt Godts. Hier sict ghy dat h\ den mensch de kracht om goedt te doen ontnomen hebbende, met eenen oock de weerdigheydt der verdiensten ter neder veldt. Homii°8t33""ió Chrysostomus seght aldus: Is't dat vvy nae Genesin. d'onverdiende roepinghe Godts eenighe goede wercken doen, die zijn een vergeldingh en schuit die wy hem betalen, en niet te min oock Godes gheschenck , ghenade, goedtdadigheydt en groote mildigheydt. Doch wy willen het woort laten varen, en de saeck self Bernardi. in msien. Ick hebbe wel voor henen uyt Ber*98.sermon' nardus dit segghen 2) by ghebracht: Gelijck het genoeghsaem is tot de verdiensten, datmen op de verdiensten niet en vertrouwt: alsoo is het oock genoeghsaem tot de verdoemenis

1) regneeren. 2) dese spreuck.

datmen geen verdiensten en heeft. Maer hy versacht de hardigheyt des woordts ghenoegh door een verklaringh die hy terstont daer by voeght, seggende: Maeckt derhalven'dat ghy verdiensten besit: en als ghy die verkregen hebt, so weet en bedenckt dats' u gegeven zijn : Verwacht de vrucht der selver, namelick, de barmhertigheydt Godts: en sulcks doende zijt ghy alle gevaer van armoed', ondanckbaerheyt en valsch vertrouwen ontgaen en te boven gekomen. Geluckig is de Kercke die verdiensten heeft, sonder daer op te vertrouwen , en die vertrouwen heeft, sonder ver¬

diensten. Hy hadd' oock een weynigh te voren overvloedigh vertoont in wat een Godtsalighen sin hy dat woordt ghebruyekte.

Want, seght hy, wat is doch de Kercke omtrent 1) de verdiensten bekommert, nae diens' een vaster en veyligher oorsaeck heeft om te roemen in het voornemen Godts? Godt en kan hem-selven niet verloochenen: hy sal doen 't gheen hy belooft heeft. Alsoo en hebt ghy gheen reden om te vragen, door wat verdiensten sullen wy doch het goede moghen hopen en verwachten? bysonderlick nae dien ghy hoort dat de Heere segt: Niet om uwent Ezech. 3fi. 22, wille, maer om mijnent wille. Om te verdie- 32nen is het genoegh dat wy weten dat de verdiensten niet genoeg en zijn.

3. Wat alle.onse wercken verdienen, dat Een andere betoont de Schriftuyr wanneerse betuyght dat k'ar® autw°ort de selvighe Godes ghesicht niet en kunnen de vraeg"etrverdraghen, om datse vol zijn van onreynig- steiick door heydt. Boven dien leert ons de Schriftuyr ^1^17.^0. oock wat de volmaeckt' onderhoudinge der Wet, soo daer eenighe gevonden konde worden, soude verdienen, alsse gebiet dat wy ons selven voor onnutte dienstknechten moeten houden wanneer wy ghedaen hebben alles wat ons bevolen wort: overmidts wy in sulcken gheval 2) den Heere niet en betalen 't geen wy niet ghehouden waren 3) te betalen 4),

maer alleen onsen schuldigen plicht volbren¬

gen , waer voor ons niet eenen danck 5) toe en komt. Nochtans noemt de Heere de goede Daer nae> wercken die hy ons gegeven heeft onse werc- j)°n°grh toe"ëlieken, en hy betuygt niet alleen dats' hem aengenaem zijn, maer oock datse beloont sullen worden. Ende onsen plicht vereyscht wederom,

dat wy door sulck een groote belofte couragy grypen en ons selven verstereken om in het weldoen niet vermoeyt te worden, en so een groote goedertierenheyt Godts met ware danck- watmen in baerheyt na te gaen en t'erkennen. 'tls buyten beiooninge twijffel dat alles wat in de wercken verdient ^odTmoet" gepresen te worden is een genaed' en gave toeschrijven.

1) belanghende. 2) kas. 3) [ ]. 4) (ongehouden ziju).

5) daiick-hebb'.

Sluiten