Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

losmaken van het overige deel van den brief, soms ook in hfdst. 8 en 9 een zelfstandigen brief zien. Verschil is er over de vraag, in welke orde die kleinere brieven zouden zijn verzonden J), ook over de vraag, op welke wijze de drie of twee brieven tot één zijn gemaakt. Voor ons zijn deze laatste vragen van weinig gewicht. De hoofdzaak is: is 2 Kor. een eenheid of niet? Wij zullen ons hier daarom niet met de bijkomstigheden of met de bijzonderheden der verschillende hypothesen ophouden, doch een tweetal geleerden aan het woord doen komen, een ouderen en een jongeren, die dezen brief in stukken breken en tegenover hen de eenheid van den brief trachten te handhaven 2).

Langen tijd beroemd is geweest de z.g. Vierkapittelbriefhypothese van Hausrath 3). Hausrath gaat uit van de gedachte, dat het optreden van Paulus en ook de onderstelde omstandigheden in hfdst. io—13 zoozeer verschillen van die in cap. 1—9, dat beide stukken onmogelijk in één en denzelfden brief kunnen hebben gestaan. Onze schrijver ziet vier punten ten aanzien, waarvan er verschil bestaat tusschen Paulus en de Korinthiërs. Hij noemt: 1. de houding tegenover den bloedschender, 2. de collecte, 3. Paulus' komst te Korinthe, 4. den aanval der Judaïsten op Paulus' apostolaat. Ten aanzien van deze vier punten zouden nu hfdst. 10—13 een vroeger standpunt inhouden dan 1—9 4). Hausrath laat ook 2 Kor. 13 : 1 vlg. op den bloedschender slaan en meent, dat de zaak met hem nog niet in orde is gemaakt. Daarentegen heeft blijkens 2 : 5 vlg. en 7 : 11, 12 de zondaar zijn straf ontvangen. Wat de collecte betreft, 2 Kor. 12 leert, dat men bezwaar had tegen het financieele optreden van Paulus. Hoe kan Paulus aan zulke menschen over de collecte schrijven, als hij deed in hfdst. 8 en 9? Zoo vertegenwoordigt hfdst. 10—13 een eerder stadium van het reisplan dan het eerste deel van 2 Kor., want I2:i4eni3:i doet Paulus een toezegging, die hij niet ge-

x) Omdat we de eenheid van 2 Kor. handhaven, heeft de vraag, is cap. 10—13 vóór of na cap. 1—9 geschreven, voor ons geen belang. Dat het moeilijk is om cap. 10—13 na cap. 1—9 te stellen, is aangetoond door Jülicher—Fascher, Einl. i. d. N. T., 7e dr., Tübingen, 1931, bl. 98 vlg.

2) Een vrij volledig overzicht van de verschillende hypothesen vindt men bij Golla, bl. 6—10 en 78—107. Daar leert men ook, dat sommigen cap. 10—13 aan cap. 1—9 laten voorafgaan, dat anderen ze later stellen. Zie voorts Allo, Komm., bl. L vlg. en 254 vlg.; J. Moffatt, Introd. Litt. N. T., 4e dr. Edinburgh, 1920,bl. 119-128.

3) A. Hausrath, Der Vier-Capitel-Brief des Paulus an die Korinther, Heidelberg, 1870.

4) Ook Kennedy, dien Golla niet behandelt, stelt cap. 1—9 na cap. 10—13. Zie over en tegen hem A. Menzies, The Integrity of 2 Corinthians, Expositor, VIII, 34, Oct. 1913.

Sluiten