Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het werkwoord evxa(,n(7trt^v niet in het praesens (duur, telkens weer), maar in den aor. (het eenmaal) staat, kan geen tegenargument worden ontleend, nu Paulus spreekt over iets, dat nog niet gebeurt, maar gebeuren moet. Xccqio/jcc onderstelt, dat fvxtiQioteiv geconstrueerd kan worden met den accus. van hetgeen, waarvoor men dankt. dia itoXXStv, in veel woorden en daden; dat is beter dan door velen, omdat reeds èx jtoi./.civ .Tooiioi.KM»' stond en nu ook verklaard is, waarom wel bij het eerste, niet bij het tweede nolJ.&v jiqoöu)71(ov is geplaatst. Ook zou men, wanneer het tweede noXXmv op dezelfde personen zag als het eerste, niet óia, maar vkó verwachten, wat dan echter weer tautologisch naast ix noM.wv tiqooüjtmov zou staan. evxaqiotrjs-rj drukt uit, dat het gebed der gemeente in de eerste plaats dankzegging behoort te zijn voor het geheel der aan Paulus geschonken apostolische gaven, die immers geschonken zijn, opdat zij aan de gemeente ten goede zouden komen, vgl. 4 : 15; 9:11. Toch laat vjcèQ ïjfiwv aan het slot zien, dat Paulus hier niet denkt aan de weldaden, die zij zelf ontving, dat zou niet een medeleven met Paulus zijn, maar bepaald aan een danken, voor wat God aan Paulus gaf. Zoo is het 't meest tot eer van God. Juist daarom is vitfQ ijftcöv niet overtollig. Het einde is, dat wanneer velen bidden, ook God meer dank, dat is eer, wordt toegebracht (Calvijn).

1—11. Het begin van 2 Kor. is van groote beteekenis om ons den geheelen brief te doen verstaan. Het spreekt van lijden en van gemeenschap. Van benauwd worden ter wille van het werken, van zich toch geven aan de gemeente. Daardoor maakt Paulus den weg vrij om de gemeente te gaan berispen over de benauwdheid, die ook zij hem, niet als persoon, maar als apostel heeft aangedaan, terwijl zijn liefde voor haar toch vaststaat. Dat alles is typeerend voor de verhouding van den ambtsdrager tot de kerk en voor de wisselwerking, die tusschen beiden bestaat. Immers als de verhouding tusschen den apostel en de gemeente, en die staat in 2 Kor. in het middelpunt van het betoog, niet goed wordt gezien, kan over allerlei bijzondere punten, gelijk er in 1 Kor. zoovele ter sprake kwamen, niet eens worden gehandeld. Maar typeerend is ook, dat Paulus hier niet, als in andere brieven, God dankt, voor hetgeen aan de geadresseerden is geschonken, maar voor wat God aan den schrijver ten bate van de geadresseerden heeft gegeven. Gelijk aan het slot de geadresseerden opgeroepen worden om te danken, voor hetgeen Paulus ontving. Ook dat is veelzeggend voor het karakter van dezen brief en raakt de verhouding tusschen apostel en gemeente.

1 : 12—14. Paulus' roem.

12. De woorden xavx^oS-ai, xav//?,««, xavx>n>iq komen

Sluiten