Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarover de apostel roemt, is, wat zijn geweten getuigt. Grammatisch is ficcQtvQiov bijstelling bij xav/riaiq, zakelijk is het roemen een zijde van het getuigen. Paulus kan roemen, omdat zijn <sweiótjOiq als volgt spreekt; de inhoud van de övveiÖTjOiq is daardoor de grond, de stof van het roemen. Nu moet men bedenken, dat ovveióriotq niet volkomen beantwoordt aan ons geweten, maar dat het in de eerste plaats medeweten, bewustzijn beteekent')■ Paulus is zich ergens van bewust en omdat hij zich bewust is van een goede zaak, roemt hij: tb fiaqxvQiov ovvei<ftjOf(»^, het getuigenis van ons bewustzijn. Mclqzvqiov maakt de zaak belangrijk, gewichtig, ook betrouwbaar, geloofwaardig. Het is niet het getuigen, maarhet getuigenis, wat er getuigd wordt. Daarom namen wij fiaQtvQiov als bijstelling en verbinden wij ori met xavwoit;, aangeduid door ccvvrj. Paulus weet dan (en daarom kan hij roemen), dat hij gewandeld heeft in de wereld op de rechte wijze.

vsoTotltf rtftf- v spreekt niet door den tijd, maar door de beteekenis van het werkwoord van den langen duur, van het zich telkens heen en weer bewegen in de geordende menschenwereld. Misschien ligt er ook in het zich telkens omkeeren in de wereld, dat is het telkens de wereld den rug toe keeren (niet TieQiTict.retv). De aor. stelt dat voor als een historisch feit, dat kan worden vermeld. Positief was Paulus' wandel hv ccyiÓTTfT i, in heiligheid, een woord, dat meer op de uiterlijke openbaring ziet, dan eihxQiveia, de inwendige louterheid. Tov iteov brengt het van het menschelijke af; niet zoo, dat het van Goddelijke hoedanigheden spreekt (Windisch), dat past niet in het verband 2), maar dat het aanduidt, hoe een heiligheid en louterheid is bedoeld, die door God is gewekt en voor Hem kan bestaan, vgl. Rom. 3 : 23. Negatief bepaalt de apostel zijn wandel door ovx èv öo<picc öccQxixfi» Wij hooren daarin een duidelijke herinnering aan i Kor. i : 17 vlg., in verband met 1 Kor. 3 :1 vlg. Paulus heeft in den eersten canonieken bnet aan Korinthe scherp de voosheid van de menschelijke, de vleeschelijke wijsheid 3) belicht, daar bepaald in tegenstelling met de wijsheid der wereld. In ons verband is de tegenstelling een geheel andere. De vleeschelijke wijsheid, in welke uitdrukking OUQXIXÓS, wat tot het zondige vleesch behoort, aan-

x) Vgl. Windisch, a. 1.

2) Men mag zich niet beroepen op -&cov, van God afdalende genade, om ayiórrjg Hal ElXixgiveia tov &eov te vertalen door: van God komende heiligheid en louterheid. Immers de aard van den genetivus wordt bepaald mede door den aard van het regeerende woord. Bovendien zegt het feit, dat in het eene geval het lidwoord wel is gebruikt, in het andere niet, ook, dat er onderscheid1 is.

3) Wijsheid te nemen van de deugd, den habitus, die zich bepaald uit in practisch goed of althans goed geacht handelen, zie op i Kor.

1 : 17.

Sluiten