is toegevoegd aan je favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samengaan, zooals een kroon of wapen iets aanwijzen kan als het echte eigendom van een vorst. De Roomsche exegese denkt bij o<pQayiaa/i.svoq aan de confirmatie, die na den Doop komt en bepaald het bezit des Geestes verzekert1). Het ligt echter meer voor de hand ook de verzegeling met den Doop, c.q. met de in den Doop afgebeelde gave des Geestes te verbinden. Vooreerst moet hier gewezen op de gewone bezwaren, die tegen het bestaan van een afzonderlijk sacrament der confirmatie worden aangevoerd 2). Zeer zeker spreekt het Nieuwe Testament van bijzondere ontvangst van de gaven des Geestes, doch niet in den zin van afzonderlijk sacrament, maar veeleer van aanvulling van den Doop, Hand. 8 : 15 vlg.; 19 : 6; een aanvulling, die reeds door Johannes den Dooper in het vooruitzicht was gesteld, Matth. 3:11. Van Leeuwen wijst er voorts ad Ef. 1 : 13 terecht op, dat o<pQccyiq Rom. 4 : 11 in verband met de besnijdenis wordt gebezigd. Deze dingen doen ons ook bij OifQayiaa/uevog aan den Doop denken, en dan in den zin, waarin hij de gave des Geestes verzegelt. Of, indien niet aan den Doop, dan aan de latere ontvangst des Geestes, die toch van den Doop niet mag worden losgemaakt. In ieder geval dwingt ö xai er ons toe te onderscheiden: de zalving spreekt van de ontvangst, de verzegeling van het blijvende bezit des Geestes. Het zegel wijst daardoor de geloovigen aan als het blijvende bezit Gods, vgl. ook Openb. 7 : 3 vlg., zij kunnen niet verloren gaan, dat is het gevolg van de trouw Gods 3). Het is bij {tefiaiatv volkomen te verstaan, dat de apostel op deze voorafgegane verzegeling afzonderlijk wijst. Wordt elders de verzegeling aan den Geest toegeschreven, hier spreekt de apostel ook afzonderlijk over het geven van het pand des Geestes, gelijk 5 : 5 eveneens van den ctQQccpdjv des Geestes sprake is. Nu kan het, gezien de andere genoemde plaatsen, niet de bedoeling zijn om hier de zalving en de verzegeling los van den Heiligen Geest te plaatsen en als afzonderlijke daad Gods te noemen het geven van een pand. Veeleer stelt Paulus drie zaken analytisch naast elkaar, die ten slotte één zijn en elk voor zich het punt van een andere zijde benaderen. M. a. w. gelijk xqisiv en a<fqayi^so9-ai beide op den Doop zien of op hetgeen met den Doop in verband staat, zoo ook het geven van het pand des Geestes in de harten. God geeft bij of in verband met den Doop den Heiligen Geest, Die verzekert van het deelgenootschap aan Christus, wil men, Die het

x) Zie J. B. Umberg, art. Firmung, in Lex. Theol. Kirche, 4, 3e dr., bl. 15 vlg. Dan b.v. Belser, a. 1.

2) Zie b.v. H. Bavinck, Geref. Dogmatiek, IV, 4e dr., Kampen 1930, bl. 470 vlg.

3) Over de verzegeling, haar voorkomen ook in de mysteriegodsdiensten, breed Windisch, a. 1.