Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de conclusie van de pericoop. Yoorzoover Paulus persoonlijk sprak, sprak hij van de ambtsdragers, vs 4, 12, en daarvan zal hij ook in het vervolg nog spreken. Wat hij echter van de twee bedieningen en van Israëls onverstand geschreven heeft, brengt er hem toe even iets te zeggen, dat geldt van allen, die tot de bediening des Geestes behooren en hij geeft door navzeq ook uitdrukkelijk te kennen, dat hij dit doet1). Ten slotte is er in het hoogste geen verschil tusschen ambtsdragers en andere Christenen. Het einde van de pericoop kan een jubeltoon zijn over de voorrechten van allen, die deelhebben aan de nieuwe bediening. Avccxtxalvfifiévw nqoowjk» herinnert duidelijk, aan wat van Mozes werd gezegd. Maar nu moeten wij bedenken, dat reeds in tweeërlei zin sprake was van het xdXvfifici. Paulus sprak eerst van het xtxXvfi/ia, dat Mozes op zijn gelaat moest leggen, omdat Israël door zijn zonde de stralende heerlijkheid van dat gelaat niet kon verdragen. Doch daarna stelde hij in het licht, dat, geestelijk gezien, het xakvfina lag op het hart der Israëlieten, want daar en daar alleen lag de eigenlijke verhindering om de dofa te aanschouwen. Nu ligt het 't meest voor de hand thans een aansluiting te vinden aan dat laatste. \ ooreerst omdat het natuurlijker is ijfisiq 7idvxsq, al de Christenen uit de nieuwe bedeeling, op één lijn te stellen met de Israëlieten, dan met Mozes, die een eigen plaats en een eigen taak had. In de tweede plaats, omdat aldus beter tot zijn recht komt de vergelijking, de tegenstelling, die Paulus in de pericoop maakt tusschen oude en nieuwe bediening. Bepaald is er betere aansluiting bij de èXsv&fQia van vs ij. Tegen deze redeneering kan niet gelden, dat Paulus toch van een xaXvfi/ici op het nQÓotojtov spreekt, want uit heel het betoog blijkt, dat TtQÓootKov niet in eigenlijken zin moet worden opgevat; van een eigenlijk xccXv/u/icc is evenmin sprake als van eigenlijke vleeschen tafelen des harten, vs 3. IlQÓaoijiov is gebruikt om weer te herinneren aan Mozes, aan wiens doen het beeld is ontleend en ook om den overgang te maken naar xaxojizgi£ófisvoi■ Het heerlijk voorrecht in de nieuwe bedeeling is, dat geloovigen de heerlijkheid des Heeren kunnen en mogen aanschouwen. Hun gelaat is ui' <iy.i-x(</.i'u ti i-vov, het xdkvftficc, dat van nature ook op hun hart lag, is weggenomen. Zij zien in het geloof, wat Israël ontbrak. Daarom zien zij nog wel niet de volle <fó^cc xvq'iov, maar zij zien haar toch en zij zien haar zuiver. En in zooverre zijn zij toch ook weer gelijk aan Mozes, die het xa).vii/ua wegnam, als hij den Heere ontmoette. Dat met de óó^a xvqïov in de eerste plaats die be-

Plummer hoort een tegenstelling tusschen al de geloovigen en den éénen Mozes. Dit lijkt mij minder juist, want Mozes sprak met onbedekt gelaat tot den Heere.

Sluiten