is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedeeling de dofa zich niet volkomen als dof« openbaarde 1). Wanneer wij hier lezen, dat de geloovigen ook in de nieuwe bediening de heerlijkheid van den xvqioc, niet rechtstreeks aanschouwen, dan vindt dat bij Paulus en ook verder in het Nieuwe Testament parallellen, die deze verklaring bevestigen. Bijna dezelfde gedachte lezen we i Kor. 13 : 12 in het {Uéxonev aqxi ói' èaójizQov èv aiviyficczi. Het is wel waar, dat daar niet gezegd wordt, wat wij aldus zien. Maar vooral het èyviuoO-riv aan het slot van het vers wijst ook naar het zien van God 2). Wij mogen daarbij herinneren aan verschillende plaatsen uit het Oude Testament, van Mozes Exod. 33 : 18 vlg. en van anderen Exod. 24 : 17; 33 : 20 enz. Wij zullen in ons vers dof« xvqïov bepaald van den verhoogden Heiland moeten nemen. Zijn opstanding in heerlijkheid heeft niemand kunnen aanschouwen. Reeds tijdens Zijn vernedering werd Hij tot heerlijkheid veranderd, Matth. 17 : 2; en als Hij aan Johannes op Patmos verschijnt, kan de apostel Zijn majesteit niet verdragen, Openb. 1 : 17. Dat alles is in overeenstemming met wat Paulus schrijft; wij aanschouwen slechts een spiegelbeeld, een niet adaequaat beeld (men denke aan de gebrekkige metalen spiegels uit de oudheid) van 's Heeren heerlijkheid. Ook de geloovigen in de nieuwe bedeeling hebben te rekenen met hun beperktheid. Dit alles wordt door een participialen zin uitgedrukt, geeft daarom niet de hoofdgedachte, maar vormt de inleiding op wat Paulus eigenlijk wil zeggen. Paulus waarschuwt, als in het voorbijgaan, om niet te hoog te grijpen. Wat wij hebben, is voorspel van het komende, vgl. 1 Joh. 3 : 2. De inleiding spreekt in het avaxexuj.v/u.fiiv<p tiqooóijcit) reeds van een heerlijkheid, die veel grooter is dan die, welke Israël, zij het dan ook, dat de schuldfactor daarbij niet mag worden weggecijferd, in de oude bediening genoot, want wij zien in het geloof, wij zien daardoor zuiver, en wij zijn op weg naar een toekomst, schooner nog dan hetgeen wij reeds bezitten, Kol. 3 : 4. Meza/uoQ<pov/ue&a, praesens, spreekt van een proces, dat aan den gang is. Wij kunnen daarom niet denken aan de verandering aan het einde der dagen, waarvan Paulus 1 Kor. 15 : 51; 1 Thess. 4 : 17 handelt; het is iets, dat nu met de geloovigen, met hen allen, gebeurt, d. w. z. een geestelijk proces. De accusativus trjv avzijv eixóva geeft aan, wat het doel is, waarheen wij door de verandering worden gebracht, § 127. Er geschiedt iets met ons, wij worden gebracht, steeds meer gebracht naar een beeld. Nu is van een beeld nog niet gesproken. Wij kunnen het met niets anders

*) Windisch vat xarojrrgtftcrö'at op van het adaequate zien. Dat is in strijd met de beteekenis van het woord en met wat wij verder in de Schrift over dit onderwerp vinden.

2) Zie Komm. op 1 Kor. 13 : 12.