is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den genet, is duidelijk. Er zijn dingen, die men alleen in het verborgen doet, omdat men wel weet, dat men in moeite komt, als ze openbaar worden. Men kan zelfs zeggen, dat de bewust gedane zonde neiging heeft om zich verborgen te houden, wanneer het gaat om dingen, die algemeen of althans door velen worden afgekeurd. Al zulk werk doet Paulus niet meer; al leefde hij vroeger in zonde, hij heeft haar thans „afgezegd", er was een omkeer in zijn leven. Deze uitdrukking is algemeen en wij zullen goed doen haar die algemeene strekking niet te ontnemen, omdat de woorden spreken van een radicalen omkeer, een bekeering. De volgende participia moeten niet als een beperking worden opgevat, maar als een toepassing van het algemeene op het ambt. Wij kunnen omschrijven: en derhalve wandelen wij niet enz. Trouwens, het feit, dat aan de uitdrukkingen, die meer bijzonder op het ambt zien, het algemeene fiii 7csQi7tatovvtsg èv Ttavovgyia voorafgaat*), wijst ook in de aangegeven richting. Jleytxattiv is in het Nieuwe Testament herhaaldelijk het woord voor leven, verkeeren, in het algemeen. Wandelen heeft eigenlijk in ons hedendaagsch Nederlandsch een heel andere beteekenis, en is toch nog haast het eenige woord om neQixaxeiv weer te geven (vgl. levenswandel). Duidelijk is, dat Paulus spreekt van de algemeene wijze, waarop hij zich gedraagt. Die is niet een omgaan met sluwheid, geen houding, die geen middelen ontziet, als slechts het doel wordt bereikt. Na fir/óé, ook met, evenmin, komt dan, wat bepaald op de ambtsvervulling betrekking heeft. Mrjóé duidt aan, dat wat Paulus thans afwijst, hetzelfde karakter draagt, als het juist genoemde. Dat doet óoiiéa>, vervalschen, dan ook; Paulus gaat niet listig om met het Woord van God, verandert het niet. Wij zijn hier weer in den gedachtengang van 2 : 17, vgl. 1 Thess. 2:5. Anderen maken wel misbruik van het Woord Gods ten eigen bate, gaan met verborgen streken om, of zij vervalschen het b.y. door aan de oude bedeeling een beteekenis toe te kennen, die zij niet meer heeft 2). Dat moeten de Judaïsten zijn, die Paulus

1) Plummer wil uit 12 : 16 afleiden, dat men Paulus van TtavovQyio. had beschuldigd en dat de apostel daaraan reeds hier denkt. Onmogelijk is dat niet. _

2) Meer dan eens is opgemerkt, dat Paulus in 2 K.or. de Judaïsten met geen enkel woord beschuldigt van de dwalingen, welke hij in Gal. bestrijdt. Indien 2 Kor. n : 22 het niet uitdrukkelijk zeide, zouden wij zelfs kunnen twijfelen, of in Korinthe Judaïstische dwaalleeraren waren opgetreden. Zij hebben zich blijkbaar aan kuiperijen enz. schuldig gemaakt, maar toch ook wel de oude bedeeling te hoog gesteld. Calvijn vergelijkt de dwaalleeraars in Kor. niet onaardig met vrouwen, die niet tevreden zijn met wat zij van nature hebben, doch zich verven en zóó opmaken, dat het natuurlijke verdwijnt.