Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden gemaakt tegen zulk een wijze van redeneering. In ons verband heeft Paulus gesproken van uiterlijke levensomstandigheden, die moeilijk waren en van levenskracht, die opkwam uit Jezus' verrijzenis. Dat betrof allereerst het ambt, vs 7—13. Maar in vs 14 en 15 beperkt de apostel zich niet tot het ambt, doch spreekt hij van de levensomstandigheden van alle Christenen. Daarvan spreekt ook 5 : 1 vlg. duidelijk. Daarom moeten wij bij t§on av!)(tojjroq niet denken aan de uiterlijke levensomstandigheden van den ambtsdrager, maar aan die van alle Christenen. Wij beperken het niet tot het lichaam, al hoort dat er ook bij, doch laten het slaan op alles, wat de Christen aan vergankelijks aan zich heeft. Het is de mensch, niet een deel van den mensch, maar de mensch, voorzoover hij uiterlijk bestaat. De gedachte aan zonde mogen wij hier niet inbrengen; in die richting wijst Paulus niet, wel naar alles, wat voor lijden vatbaar is en aan verdrukking onderhevig. \ an dien f§a> av9-Qo>jio§ heet het öiacf&eiQsxai. Er is in het heden een proces aan den gang, waarvan de mensch subject is. Het verband, bepaald vs 17, wijst niet in de richting van een langzame vernietiging van den uitwendigen mensch. Ook 5 : 1 stelt met èdv... xaxa/.v&fi die vernietiging als mogelijk op een bepaald tijdstip. AiacpfrsiQETai nemen wij daarom van de onophoudelijke aanvallen, waaraan in deze wereld de uitwendige mensch is blootgesteld, het lijden achter Christus aan, waarvan de apostel sprak. Eveneens uit het verband valt af te leiden, dat t<xo> civê-(>oj7ioq weer is de mensch, bepaald de geloovige, voor zoover hij leeft op grond van de opstanding van Christus :). Het is de mensch, die God lief-

en yv%rj, otoua en ouoï; zóó gebruikt, dat zij elkander voor een groot deel dekken, maar dat er dan toch betrekkelijk kleine deelen van het ruimere begrip overblijven, waarvoor Paulus uitsluitend één der beide woorden gebruikt. Zie ook Komm. 1 Kor., bl. 111 vlg. In verband hiermede merken wij nog op, dat men den ëoco av&Qcojtos ook niet zonder meer gelijk moet stellen met den xaivdg av&Qwnog, al is er ongetwijfeld verband. De laatste uitdrukking doet aan wedergeboorte denken, aan breken met de zonde, vgl. Ef. 2 : 15; 4 : 24, terwijl de eerste zich niet bepaald tegen de zonde richt, maar tegen het lijden. De tcaivóg av&gcojtos is een andere mensch, de ëoco av&gcojtos de mensch naar een bepaalde zijde. Vgl. ook Allo, bl. 135.

*) Kittel, Wörterbuch, I, bl. 366: 6 ë£co avi') fJMTCog und ó ëoco av&Qcojtog: ó ê?co av&gcojiog der Mensch nach seiner physischen verganglichen Seite; ó ëoco av&Qcojzog (bzw ó XQVttTÓg rijg xagölag av&Qcojio; 1 Pt. 3,4)= der Mensch — und zwar der Nichtchrist R 7, 22 wie der Christ 2 K 4, 16; Eph 3, 16 vgl. 1 Pt 3, 4 — nach seiner Gott zugewandten, unverganglichen Seite. Vgl. II, bl. 696. Het is zeker van beteekenis, dat Paulus Rom. 7 : 22 een tegenstelling maakt tusschen ëoco av&gcojiog en fiéfoj. Het eerste is het Christelijk subject, het andere datgene, waarin de zonde heerscht. Al is de tegenstelling in dat verband een andere dan hier, zoo is toch ook Rom.

Sluiten