Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij onderstelden, dat de geheele toegevende zin bij ènevóyaao&ai behoort. Dat kan nu nog iets scherper worden uitgedrukt. Bij azsva^o/iev of bij inixo&ovvzee, kan de zin niet hooren, omdat de in die verba liggende handelingen zelf al zeggen, dat er geen naaktheid aanwezig is. Eigenlijk is het zóó, dat vs 3 uitdrukt, wat achter vs 2 ligt, wat er is, wanneer het in vs 2 besprokene niet aanwezig is. Paulus lascht vs 3 in ter waarschuwing voor hen, die niet zuchten. Maar door de woorden sluit vs 3 zich nauw bij èiievffvoao&ai aan 1).

4. Er is in dit Schriftgedeelte een zekere gradatie. Vs 1 had het objectief klinkende, in ieder geval van zekerheid sprekende o'idccfisv. Vs 2 sprak uit, dat dit oióaftsv gepaard gaat met het meer subjectief klinkende op tegenspoed wijzende aztva'Qeiv; maar het was een azevd^eiv, dat nader bepaald werd door èTcuio&ovvzeq, een werkwoord, dat van een vervulbare hoop spreekt. Vs 4 gaat het subjectieve, het onze houding los van onze hoop aangevende, nog verder, als het heet OTSvaQo/nev {iaQovfievoi. Maar toch ontbreekt ook hier de zekerheid van vs 1 niet, immers die wordt duidelijk uitgesproken in den finalen zin aan het slot van het vers. Zoodat ten slotte toch heel de pericoop spreekt van den geestelijken strijd om te beleven, wat in Christus is geschonken. Wij denken aan Fil. 3 : 12 vlg. Evenals vs 2, begint vs 4 met xal yó.Q. Daar vs 4 gelijk vs 2 azevd^o/tev heeft, staan deze verzen blijkbaar op één lijn en pleit alles er voor xal y&Q vs 4 op te vatten als inleidende een tweeden, naast dien van vs 2 staanden, redengevenden zin, vgl. bij vs 2. Wat de beteekenis betreft, kunnen wij zeggen, naast het ozsvd^ofiev ijTiTtoOovvxeq komt het ozsva^o/tsv fiagov/ievoi. Dat Paulus niet schrijft czevut,o(iev ènuzo&ovvzei; xcci fiagovftevoi, wijst er op, dat hij dit tweeërlei oxtvaQtiv uitdrukkelijk wil onderscheiden, d. w. z., dat het eerste ozevd£eiv in ticiTcoOeiv bestaat, het tweede in [IccQeïo&ai. Deze onderscheiding verklaart ook de herhaling van xal yttQ, op welke herhaling overigens ook de inlassching van vs 3 invloed kan hebben geoefend. De apostel had blijkbaar nog meer over

i) Bij degenen, die het overkleed van het opstandingslichaam verstaan, is de meest gewone exegese van vs 3: indien wij bij de paroesie althans nog in het lichaam zijn, leven en niet reeds van het lichaam ontbloot, naakt zijn. Ook deze exegese wordt weerlegd door onze opvatting van het overkleed. Bovendien onderstelt zij, dat Paulus de paroesie nabij achtte. De Korinthiërs zouden dan zuchten, omdat zij niet wisten, of zij de paroesie nog zouden beleven. Heel deze exegese is in strijd, met hetgeen Paulus van de paroesie leert, over welke hij trouwens in deze verzen niet spreekt. Beter is dan nog de exegese, dat alle menschen zuchten om zonder dood het hemelsch lichaam te ontvangen. Maar ook die past niet in het verband, omdat zij het kleed als lichaam opvat.

Sluiten