is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het overzicht te vergemakkelijken, een aantal vragen, die de uitlegging heeft te beantwoorden 1). i. Is ei syvatxa/tiev realis of irrealis; 2. moet Xqiotóv verstaan worden van een Messias of van Jezus, gedurende Zijn vernedering; 3. behoort xaza caQxa bij éyvóixafiev of bij Xqiotóv; 4. van welken overgang in zijn leven spreekt Paulus, van dien bij zijn bekeering of van een anderen na zijn bekeering? Chronologisch is het zeer goed mogelijk, dat Paulus tijdens zijn leertijd te Jeruzalem Jezus heeft gezien en gehoord, ook dat hij van Jezus' kruisdood heeft geweten. Er zijn exegeten, die bij de beantwoording der gestelde vragen daarvan uitgaan en in verband daarmede ons vers verstaan van de verandering, die in Paulus' leven heeft plaatsgegrepen bij de bekeering, toen hij van een louter intellectueele, Jezus als Messias verwerpende kennis van Jezus, kwam tot de ware zaligmakende. Karei adqxa zou dan zien op Paulus' Joodsche periode en Xqiotóv op Jezus gedurende zijn vernedering 2). Tegen deze opvatting bestaan verschillende bezwaren. Xqiotóv duidt onzen Zaligmaker als ambtsdrager aan. Paulus kan moeilijk zeggen, dat hij Xqiotói; gekend heeft xara OciQxa, hoogstens kan hij dat van 'Itjoovg schrijven 3). Nog grooter bezwaar is echter, dat Paulus dan op onze

1) In dezen geest ook Bachmann, bij wien de vragen echter wat anders luiden.

2) Deze opvatting is vooral voorgedragen door Joh. Weiss, Paulus und Jesus, Berlijn, 1909, bl. 22 vlg. Weiss gaat uit van de gedachte, dat Paulus Jezus moet gekend hebben om Hem in het visioen op den weg naar Damaskus te kunnen herkennen en vindt dan in onze plaats het bewijs voor dit kennen. Heel die opzet is verkeerd, gelijk Weiss, bl. 16 zelf uitspreekt, dat wie Paulus' bekeering als wonder ziet, geen moeilijkheden vindt. Overigens is de meening van Weiss ten aanzien van 2 Kor. 5 : 16 door niet zoo weinigen overgenomen, zie Windisch.

3) Men lette er op, dat de Heiland zich Hand. 9 : 5, als Hij aan Paulus verschijnt, Jezus noemt en dat Paulus Hand. 26 : 9 zelf ook zegt Jezus den Nazarener. Wanneer Schlatter schrijft: als de Christus stond Jezus voor hem (n.1. Paulus) en den Christus heeft hij gehaat, klopt dat niet met de gegevens. Wanneer Schlatter vermoedt, dat er in Paulus' woord ook polemiek ligt tegen de Judaïsten, die beweerden, dat de eerste apostelen boven Paulus stonden, omdat die Jezus naar het vleesch gekend hadden, dan is die verklaring niet geheel en al onmogelijk. De irrealisopvatting van si >cai êyvcóxafiev komt dan ook tot zijn recht. Maar de verklaring is niet met zekerheid te geven, omdat het verband er geen gegevens genoeg voor biedt en omdat ze onderstelt, dat Paulus het xaza oagxa anders neemt, dan de Judaïsten het bedoelden. Ook Lietzmann gaat in Schlatters richting. Volgens hem antwoordt Paulus op de aanmerking, dat de apostel den Heere niet gekend heeft: door Christus' dood zijn allen gestorven, daarom is er niemand meer, om wiens aardsche omstandigheden ik mij bekommer. Ik leg het verband met het voorafgaande liever als in den tekst is geschied.