is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-tjfiaq object van het xccraXXaoosiv, doch een xóOftos,1). Dat is de gedachte van Joh. 3:16. Wat God met Zichzelf verzoent, zijn niet maar losse individuen, maar is een kosmos, een geordend geheel. Joh. 3 : 16 spreekt van den kosmos, maar zegt dan ook, dat die uit geloovigen bestaat. Paulus spreekt van een kosmos, een geheelheid, en neemt dat straks op in avtolq, waarbij uitkomt, dat die kosmos het geheel is van hen, wier zonden zijn vergeven. Het zijn de Jiicvrtq van vs 15, die ook in avvatv werden opgenomen. Het sterke èavroj drukt uit, dat God in Christus de wereld plaatst in verzoende betrekking tot Zichzelf, dat is tot Hem, tegen Wien de mensch gezondigd heeft (let op naQaxxo)fi,axa). De participia Xoyigóftevoq en &éfievo$ zijn moeilijk te omschrijven. De twee participia staan tot elkander in ongeveer dezelfde verhouding als xaxaXXa^avxoq en d'órxog in vs 18, maar de parallellie is minder groot dan in vs 18. Wel kan men zeggen, dat de xaxaXXayij zakelijk gelijk is aan het niet toerekenen der zonden, maar de woorden verschillen toch en dat niet alleen, doch het niet toerekenen der zonden is slechts één stuk der xaxaXXayr;2). Wij moeten daarom als wij de twee participia door één zelfde soort zin willen omschrijven, een zeer algemeen voegwoord kiezen, b.v. waarbij te pas komt. Of wij moeten twee verschillende voegwoorden kiezen en Xoyi^ofievoq vertalen met doordat Hij rekende en 9-éftsvoq, partic. aor., door terwijl Hij heeft gelegd. Zakelijk komen beide omschrijvingen op het zelfde neer. IIccQdTtxuifia is die aanduiding van de zonde, waarin ligt, dat men tegen zijn wil toch weer in ongerechtigheid valt, de val in zonde 3). Daarom kan dit

1) Het ontbreken van het lidwoord bij xóauog verklare men niet, dat van een kosmos naast andere sprake is, maar zóó, dat kosmos als eigennaam is opgevat, Rom. 4 : 13; Gal. 6 : 14, § 229, 1.

2) Wij raken hier aan de kwestie van de objectieve en de subjectieve verzoening, een dogmatisch probleem, dat wij hier niet kunnen behandelen, al is het juist in verband met 2 Kor. 5 : 19 aan de orde gesteld. Wij merken slechts op, dat het rjv xazaXXaaaoov ongetwijfeld op de objectieve verzoening ziet, vgl. Rom. 4 : 25. Soms wordt f.oyitóunvoq xré van de subjectieve verzoening genomen, soms niet. Dit is, meenen wij, een kwestie van woorden. Op zichzelf is het niet toerekenen een objectieve daad Gods. Neemt men echter bij het niet toerekenen het bekend maken aan en het aanvaarden door de geloovigen, (maar dat is zeker niet noodzakelijk en wordt hier, doordat ■d-é/.icvog volgt, buitengesloten), dan kan men het tot de subjectieve verzoening rekenen. Zie over deze kwestie Th. Engelder, Concordia, Theological Monthly, Aug. 1933, 4, 8, bl. 564 vlg. Vgl. ook H. J. Jager, Rechtvaardiging en Zekerheid des Geloofs, Utrecht, 1939, bl. 96 vlg. Tegen de daar verdedigde opvatting van Xoyi^ea&ai is bezwaar te maken. 2 Kor. 5:19 moet fir) Xoyi£ófievos opgevat worden als voor hen doende, alsof (de zonden er) niet zijn.

3) Zoo G. Heine, Synonymik d. Neutest. Griech., Leipzig, 1898,